Is dit eigenlijk een goed idee?

Een bijdrage van Waldo Geuns

Ik zal maar meteen eerlijk zijn: toen ik hoorde dat het Vision String Quartet het 'Vierde Strijkkwartet' van Bartók wilde combineren met slagwerk, dacht ik: hm. Echt? Niet uit behoudsgezindheid. Eerder uit ervaring. Ik heb zelf al wat klassieke muziek uit haar context gehaald. Een paardenstuntteam op Liszts 'Sonate in b'. Een modeshow op het 'Pianokwintet' van Sjostakovitsj. Bhutto-dans op walsen van Strauss en Ravel. Dat kan werken. Dat kan ook pijnlijk fout aflopen. En Bartók… daar rommel je niet zomaar mee.

Want Bartók is geen decor. Dat is muziek die rechtop gaat staan. Geconcentreerd. Spierballen. Geen franje. Dus ja, mijn eerste reflex was: moet dat nu? Net dít strijkkwartet met slagwerk? Alsof het nog niet uitdagend genoeg is voor de luisteraar.

Laten we eerlijk zijn: Bartóks 'Vierde strijkkwartet' is al slagwerk. Snaren worden geplukt, geslagen, afgekneld. Ritme overal. Het schuurt, kraakt, botst. Wie dit speelt, zit sowieso al op de rand van de stoel. Een extra percussionist voelt dan snel als: te veel. Te luid. Te zeker van zijn effect.

Maar hoe meer ik erover nadenk, hoe spannender het begint te voelen. Bartók schreef geen muziek om netjes vast te houden. Hij zocht frictie. Lichamelijkheid. En bovendien: vanaf het moment dat een componist zijn partituur naar de uitgever stuurt, is die muziek niet meer van hem. De naam blijft, de controle verdwijnt. De muziek komt in het publieke veld terecht. Maakt het dan nog uit wat Bartók zou willen? Of of hij dit een goed idee had gevonden?

Misschien is het precies andersom. Misschien moet je net dít doen. Niet eerbiedig bewaren, maar testen. Kijken wat de muziek vandaag nog verdraagt.

In dat licht voelt deze combinatie ineens logisch. Vision String Quartet speelt Bartók niet als erfgoed, maar als materiaal. En Bernhard Schimpelsberger komt daar niet bovenop. Hij zit erin. Zijn slagwerk voelt minder als toevoeging dan als iets wat altijd al zat te wachten.

Dat hij na de pauze solo begint, vóór Bartók, vind ik slim. Eerst Dvořák, zonder slagwerk. Warm, ruim, ademend. Dan een verfrissende pauze, om terug ruimte te maken in het hoofd, en voor je het weet trekt hij je er meteen bij, je voelt het in je lijf. En pas daarna Bartók, mét alles erop en eraan.

Is dit een goed idee? Misschien is dat inderdaad de verkeerde vraag. Dit concert vraagt geen toestemming. Het zet je rechtop, scherpt je oren en laat je niet onbewogen vertrekken. En eerlijk: dat is precies waarom we naar concerten gaan. Toch?

Waldo Geuns is gepassioneerd door het verhaal achter de muziek. Als pianist, musicoloog en filosoof is hij regelmatig te gast op podia in binnen- en buitenland. Daarnaast schrijft hij voor cultuurmagazines en is hij docent muziekgeschiedenis en filosofie aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel. Hij schreef zijn column bij dit concert op vraag van Muziekcentrum De Bijloke

Zet mij op de wachtlijst

Wenslijstje

Toegevoegd:

Naar wenslijstje

Inschrijven voor onze nieuwsbrief