Benjamin Britten: een leven vol muziek

Drie avonden lang neemt het Benjamin Britten Festival de tijd om de Engelse componist langs alle kanten te belichten. Schitterende strijkkwartetten, verrukkelijke liederen en zelden gehoorde meesterwerken in kamermuziekformaat: laat je verrassen door Benjamin Britten zoals je hem nog nooit hoorde.

Maar wie was Benjamin Britten eigenlijk, en waarom wordt hij de 'Purcell van de twintigste eeuw' genoemd? Je leest het hieronder.

Jeugd in Suffolk

Edward Benjamin Britten werd geboren in Suffolk, Engeland, op 22 november 1913. Hij groeide op in het kustdorpje Lowestoft. Als baby liep Britten een longontsteking op, waardoor zijn hart ernstige schade opliep. Dit vormde het begin van de hartproblemen waarmee Britten gedurende zijn leven vaak te kampen zou hebben.

Brittens moeder Edith was pianiste en actief binnen de lokale Lowestoft Musical Society. Zijn vader stond minder positief tegenover muziek, maar toch kreeg Britten al op jonge leeftijd piano- en muzieklessen van zijn moeder. Hij werd razend enthousiast, volgde al snel ook altvioollessen en begon te componeren. Hoewel een groot deel van deze vroege composities niet meer terug te vinden is — Britten schreef ze wanneer hij nog geen tien jaar oud was — zijn restanten ervan hoorbaar in de ‘Simple Symphony’.

Al snel volgde Britten ook compositieles. Vanaf zijn twaalfde kreeg hij les van Frank Bridge. Later, in 1930, won hij een beurs om compositie te studeren aan het Royal College of Music in Londen. Hier kreeg hij les van John Ireland. Hoewel hij een leerrijke en productieve periode overhield aan zijn tijd aan het college, waarin hij verschillende prijzen won voor zijn composities, voelde hij zich er niet thuis. Zijn medestudenten en professoren waren volgens hem nog te sterk opgenomen binnen romantische idealen. Zelf zette hij veel meer in op technisch coherente werken, iets wat hoorbaar blijft binnen zijn oeuvre.

In 1937 ontmoette Britten de tenor Peter Pears. Vanuit een hechte vriendschap groeide vanaf 1939 een romantische relatie. In een tijd waarin homoseksualiteit wettelijk verboden was, hielden de twee hun relatie als een soort open geheim. Ze woonden, werkten en leefden hun hele leven samen, maar hun relatie werd nooit officieel benoemd op papier. Het koppel bleef een constante voor elkaar, tot aan Brittens overlijden.

Pears werd veel meer dan Brittens partner alleen: hij werd zijn belangrijkste muzikale medewerker en muze. Britten schreef een groot deel van zijn vocale muziek specifiek voor Pears’ stem, terwijl Pears op zijn beurt een belangrijke invloed had op zijn creatieve proces. Die nauwe samenwerking verklaart waarom zijn  tenorpartijen vaak zo natuurlijk, expressief en tekstgericht aanvoelen.

Met ‘Seven Sonnets of Michelangelo’ komt dit prachtig tot uiting. Britten schreef het werk in Amerika voor piano en de tenorstem van Pears, gebaseerd op liefdesgedichten van Michelangelo.

Dertig jaar na de dood van Pears ging zijn laatste wens in vervulling. De correspondentie tussen het koppel werd in 2016 gepubliceerd in de briefbundel 'My Beloved Man', waarin ze elkaar aanspreken met koosnaampjes en schrijven over hun gemis naar elkaar en de muziek die ze samen creëerden.

Amerika, vruchtbare grond

Britten kende in 1938 veel succes met zijn ‘Piano concerto’, die hij zelf uitvoerde op de BBC Proms. Met energetische, krachtige piano-passages die het talent van de pianist prachtig voorstellen en vurige, woedende melodieën zoals in de mars in de vierde beweging zweept hij het publiek weg. Het werk is echter niet representatief van wat Britten later zou schrijven. Daarvoor moest hij eerst zichzelf vinden.

In 1939 trokken Britten en Pears samen naar Amerika, onder invloed van de oplopende spanningen in Europa en in het spoor van de Britse schrijvers Christopher Isherwood en W. H. Auden. In de Verenigde Staten deelden ze een huis in Brooklyn, waar ze het artiestiek milieu volledig konden verkennen. Componist Aaron Copland en dirigent Serge Koussevitzky werden goede vrienden, Isherwood en Auden verbleven in hetzelfde huis en ook Salvador Dalí passeerde af en toe de revue. Deze verzameling van kunstenaars vormde een intense en belangrijke periode voor Britten.

Historici omschrijven deze periode in zijn leven soms als bohémien, maar het was vooral een periode van ontdekking. Britten schreef in deze periode bijzonder veel grote werken, zoals zijn ‘Vioolconcerto’ schreef hij in 1938–39 als eerbetoon aan Alban Berg. In deze periode verscheen zijn enigmatische ‘Strijkkwartet nr. 1’ alsook het anti-oorlogswerk ‘Sinfonia da Requiem’, oorspronkelijk in opdracht van de Japanse overheid, maar uiteindelijk onbruikbaar voor een land dat zich midden in de oorlog bevond.

In 1942 kreeg Britten heimwee naar zijn geboorteplaats Suffolk. Versterkt door het gedicht The Borough van George Crabbe keerde hij samen met Pears terug naar Engeland. Ze weigerden militaire dienst op basis van hun pacifistische overtuigingen.

Opera en buitenstaanders

In de Verenigde Staten had Britten van Koussevitzky een opdracht gekregen voor zijn eerste opera. Deze opera werd ‘Peter Grimes’, gebaseerd op ‘The Borough’. Op basis van ideeën opgedaan tijdens zijn verblijf in Amerika zag ‘Peter Grimes’ in 1945 het licht. Het verhaal draait om de visser Peter Grimes, die verschillende jonge mannen aanneemt als vissershulpen. Doorheen de opera komen deze jongens om door de ruwe zee, maar de dorpsbewoners beginnen Peter Grimes te verdenken van moord. Achtervolgd door een woedende menigte vlucht de visser met een bootje, waarna hij zelf verdrinkt.

Hoewel Peter Grimes geen eenvoudige figuur is, schildert Britten hem niet af als monster, maar als een geïsoleerde buitenstaander. De opera toont hoe een gemeenschap haar angst en wantrouwen projecteert op iemand die afwijkt van sociale normen. Veel historici lezen hierin ook een impliciete verwijzing naar Brittens eigen positie als homoseksuele kunstenaar in het Engeland van die tijd. Deze thematiek lag de componist nauw aan het hart en keert vaker terug in zijn oeuvre, zoals in zijn latere ‘Owen Wingrave’ en de kerkparabel ‘Curlew River’.

Het Aldeburgh Festival, de bloei van iets nieuws

‘Peter Grimes’ was een groot succes en Britten kreeg de smaak van opera helemaal te pakken. Al snel volgden verschillende kameropera’s, zoals ‘The Rape of Lucretia’, de komedie ‘Albert Herring’ en een herwerking van ‘The Beggar’s Opera’. Vanuit zijn thuisbasis met Pears in het kustdorpje Aldeburgh richtte hij de English Opera Group op, waarmee hij zijn opera’s uitvoerde.

In 1948 startte Britten samen met Pears en librettist Eric Crozier het Aldeburgh Festival. Het festival draaide rond opera en werd de plek waar Britten verschillende opera’s in première liet gaan. ‘Noye’s Fludde’, gebaseerd op middeleeuws theater, en ‘A Midsummer Night’s Dream’, zijn adaptatie van Shakespeare, kregen er vorm. Ook ‘Curlew River’, gebaseerd op Japans theater kwam er in première. Brittens inspiratiebronnen breidde zich steeds verder uit, waardoor zijn oeuvre zeer divers werd.

Peter Pears kreeg van Britten altijd een rol toegeschreven in zijn opera’s. Tijdens premières vertolkte Pears onder andere Peter Grimes in ‘Peter Grimes’, Captain Vere in ‘Billy Budd’, Robert Devereux in ‘Gloriana’ en Quint in ‘The Turn of the Screw’. Pears had dan ook veel inspraak in Brittens creatieve proces. Ze werkten nauw samen in dialoog, waardoor de tenorpartijen in Brittens opera’s bijzonder verfijnd zijn.

Britten & Purcell

Henry Purcell was gedurende Brittens hele leven een belangrijke inspiratiebron. De Engelse barokcomponist schreef vele odes en kameroperas zoals ‘Dido and Aeneas’. Net zoals Britten schreef hij met ‘The Fairy Queen’  een stuk gebaseerd op Shakespeare’s ‘A Midsummer Night’s Dream’. Vooral zijn behandeling van tekst en stem had een grote invloed op Brittens eigen vocale stijl.

In werken zoals ‘Winter Words’ en ‘Sechs Hölderlin-Fragmente’ hoor je hoe Britten melodieën laat aansluiten bij de natuurlijke cadans van taal. Ook zijn aandacht voor heldere declamatie en dramatische eenvoud sluit aan bij Purcells traditie.

In 1945, het 250e sterfjaar van Purcell, componeerde Britten verschillende eerbetonen. Het bekendste daarvan is wellicht ‘The Young Person’s Guide to the Orchestra’, gebaseerd op een thema uit Purcells ‘Abdelazer’. Met behulp van het London Symphony Orchestra creëerde Britten een toegankelijke maar inventieve introductie tot het symfonisch orkest. Ook zijn tweede strijkkwartet schreef hij voor de gelegenheid. Hij schreef het werk vlak na de tweede wereldoorlog, en juist toen de gruwelijkheden van de concentratiekampen naar boven kwamen. Deze zwaarte en hardheid komen terug in de grillige energie van de eerste beweging en de knellende harmonie in de derde beweging.

De passie van beide componisten zorgt regelmatig voor vergelijkingen, iets waar Britten niet ongelukkig mee zou zijn. Hun bijdrage aan de Engelse opera en zangkunst is van beiden ook niet weg te moffelen.

Peter Pears, tenor en muze

Naast zijn werk voor opera bleef Britten gefascineerd door de stem. Hij schreef verschillende liedcycli en sonnetten.

Door Brittens relatie met Pears bleef de combinatie van tenor en piano centraal staan in zijn oeuvre. Britten schreef bijzonder graag voor Pears, met zichzelf aan de piano. Ze gingen regelmatig samen op tournee of speelden vanuit het comfort van hun eigen huis.

Ook in zijn ‘Canticles’-reeks, geschreven over een periode van bijna dertig jaar, merk je de invloed van Pears. De reeks bestaat uit religieuze verhalen en werd geïnspireerd door Purcells ‘Divine Hymns’. De laatste compositie, ‘Canticle V: The Death of Saint Narcissus’, schreef Britten in 1974, twee jaar voor zijn dood. Dit is duidelijk hoorbaar in de harpbegeleiding, die scherp en expressief is en de reflectieve tekst veel kracht bijzet.

Britten componeerde doorheen zijn leven zeven bundels met arrangementen van volksliederen. Niet alleen Engelse, maar ook Ierse, Schotse en Franse traditionals komen erin terug. In ‘Who Are These Children?’ grijpt hij terug naar Schotse teksten van William Soutar. Hij schreef het werk in 1969 en wist zich, met al zijn ervaring, perfect aan te passen aan het Schots waarin de gedichten geschreven waren.

Dat Britten een overtuigd pacifist was, komt volledig tot uiting in het vocale grootwerk ‘War Requiem’ uit 1962. Het werk werd geschreven ter ere van vier vrienden van Britten en Pears, en alle anderen die sneuvelden of gewond raakten tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog. In plaats van zijn typische begeleiding van zang met piano koos hij voor een monumentale bezetting met koor, sopraan-, tenor- en baritonsolo, orkest, apart kamerorkest, kinderkoor en orgel. Zo bracht hij de tragedie van beide wereldoorlogen op indrukwekkende schaal tot leven. Hij benadrukte dat deze oorlogen niet alleen herdacht moeten worden, maar ons ook moeten bijblijven om toekomstige catastrofes te voorkomen.

Man van vele genres

Naast Brittens uitgebreide repertoire aan liedkunst en opera schreef hij verschillende werken voor strijkers. Hij had een hechte band met cellist Mstislav Rostropovitsj, die hem veel inspiratie bood. Ondanks de taalbarrière — Rostropovitsj sprak Russisch — overbrugden ze die met gebrekkig Duits en hun gedeelde passie voor muziek. Na hun ontmoeting in 1960 schreef Britten maar liefst vijf werken voor de cellist, waaronder drie 'Cellosuites', opus 72, 80 en 87, en een 'Cellosonate', opus 65.

Sinds zijn negende speelde Britten altviool, een invloed die hoorbaar bleef in zijn strijkkwartetten en enkele vroege werken voor altviool, zoals ‘Etude’ en ‘Elegy’. Later schreef hij ook ‘Lachrymae’ voor altviool en piano.

In 1973 kreeg Britten te maken met ernstige hartcomplicaties. Na een zware operatie keerde hij verzwakt terug naar Pears in The Red House in Aldeburgh. Toch bleef hij componeren, onder meer aan ‘Strijkkwartet nr. 3 in G, opus 94’. In dit laatste strijkkwartet benut Britten ten volle de technieken en stijl die hij gedurende zijn leven had ontwikkeld. Met inspiratie uit zijn laatste opera ‘Death in Venice’ schreef hij de vijf bewegingen van het kwartet.

De première door het Amadeus Quartet werd overschaduwd door Brittens dood op 4 december 1976, twee weken eerder. Doorheen het hele stuk voel je twijfel en angst, maar ook een zekere woede. Het kwartet eindigt met een open vraag, midden in een frase.

Nalatenschap

Sinds Brittens dood is het Aldeburgh Festival blijven voortbestaan, met verschillende grote namen die er optreden. Het huis van Britten en Pears in Aldeburgh, The Red House, bestaat nog steeds als museum en onderzoekscentrum rond hun leven en werk. Zelfs Brittens altviool, een negentiende-eeuws instrument van Guissani, werd doorgegeven aan altviolisten zoals Paul Cassidy en Hélène Clément. Zijn muziek wordt nog vaak uitgevoerd, soms zelfs op hetzelfde instrument dat Britten zelf bespeelde.

Brittens pacifistische overtuigingen en zijn ideeën over de functie van muziek na oorlog blijven vandaag bijzonder relevant. Ook op de Engelse klassieke muziek heeft hij een onuitwisbare invloed gehad. Buiten Engeland liet hij eveneens een sterke indruk na, onder meer op Arvo Pärt, die ‘Cantus in Memoriam Benjamin Britten’ componeerde.

Sander Martens

Put me on the waiting list

Wish list

Added:

To wishlist

Subscribe to the newsletter