Over Mozart & co
Ray-Anne De Brandt
Richard Strauss
Serenade, opus 7
Op slechts 17-jarige leeftijd schreef Richard Strauss zijn Serenade opus 7 voor maar liefst dertien blaasinstrumenten. Een belangrijke inspiratiebron was zijn vader, hoornvirtuoos Franz Joseph Strauss, in het vaderland erg geliefd en zelfs door Wagner geprezen. Geworteld in Franz’ traditionele smaak vermengde Strauss invloeden van Mozart, Schumann en Mendelssohn met een eigen prille originaliteit. De serenade ademt zo de sfeer van een classicistisch kamerstuk, maar de voorspelbare, weelderige thema’s en passionele lyriek getuigen van een voorafschaduwing van Strauss’ latere stijl. Aanvankelijk speelt elke blazer beurtelings het hoofdthema, waarna het ensemble na een bijna koninklijke aankondiging feestelijk samenkomt. De muziek verzacht terwijl de hobo speels rondhuppelt en de melodie steeds verder wegdrijft van haar oorsprong. Na een dalende toonladder trakteren de hoorns op een warme, ontroerende melodie – ongetwijfeld een glimlach op zijn vaders gezicht waard. Een harmonieus, pastoraal samenspel volgt en sluit af met een laatste knipoog van de fluit.
Wolfgang Amadè Mozart
Klarinetconcert
Dankzij Mozart kreeg de klarinet voor het eerst een volwaardige plaats in het symfonisch oeuvre – amper negentig jaren na haar geboorte. De zachte, lieflijke klank en het vermogen om de menselijke stem na te bootsen hadden hem betoverd. Gewijd aan zijn vriend en klarinetvirtuoos Anton Stadler voltooide Mozart zijn Klarinetconcert slechts twee maanden voor zijn overlijden. In een zonnige, troostrijke stijl met enkele bewolkte passages zingt de bassetklarinet als een personage dat haar woorden zoekt, begeleid door de strijkers als trouwe compagnons. Tussendoor pronkt de solist met haar pure klankkleur en een uiterst virtuoze techniek. Het serene 'Adagio', dat je wellicht herkent van de film 'Out of Africa', ontvouwt zich als een ontroerende aria waarin de klarinet de rol van sopraan op zich neemt. Het levendige 'Rondo' hinkelt tussen stralende jolijt en diepe weemoed. Tussen het componeren door genoot Mozart naar verluidt van een potje biljart, een kop koffie en een pijpje tabak.
Arvo Pärt
Cantus in memoriam Benjamin Britten
Het nieuws van Benjamin Brittens dood woog zwaar door bij Arvo Pärt. Als groot bewonderaar van diens ongewone zuiverheid bracht de Estse componist met zijn Cantus in memoriam Benjamin Britten een ode aan Britten. Hoewel hij de Engelsman nooit persoonlijk heeft ontmoet, rouwde Pärt om de verloren kans hem te leren kennen. Drie rouwbellen scheppen een kerkelijke, bijna spirituele sfeer. IJzige strijkers dwarrelen van bovenaf neer in een steeds herhaalde, neerwaartse toonladder, als resoneert de muziek de weg naar de dood. De aanzwellende instrumenten, die telkens per groep een octaaf lager inzetten, overlappen elkaar aan verschillende snelheden. Zo ontvouwt de cantus zich als een grote canon, waarin de hoofdmelodie telkens terugkeert in andere stemmen. De repetitieve structuur doet denken aan het oeuvre van Philip Glass of John Adams, maar de verheven melancholie onderscheidt het werk van het minimalisme. Naar het einde toe zakken de stemmen steeds dieper weg tot ze uiteindelijk samenvallen in één eindeloze toon.
Franz Schubert
Symfonie nr. 4 ‘Tragische’
Negentienjarige Franz Schubert voelde zich voorbestemd voor een grootse muziekcarrière, ambitieuzer dan zijn bestaan als bescheiden muziekleraar. Zijn 'Vierde symfonie' ontsproot aan die droom met donkere ondertonen die mogelijk verwijzen naar zijn afwijzing van een andere prestigieuze docentenfunctie. Opmerkelijk is dat de première pas eenentwintig jaar na Schuberts overlijden plaatsvond. Onder invloed van Haydns Sturm und Drang en Mozart onderscheidt dit werk zich van Schuberts andere symfonieën door zijn ernst en dramatische lading. Gedoopt tot 'Tragische' wisselen indringende weemoed en bruisende levendigheid elkaar voortdurend af. Na een lange, melancholische inleiding leeft de muziek op, waarbij de instrumentengroepen elkaar in dialoog ontmoeten. Het sierlijke 'Andante', dat later terugkeert in zijn 'Impromptu opus 142', gaat met zijn rijke harmonieën over in een stormachtig thema onder luid protest van de houtblazers. Het 'Menuetto 'danst op de krachtige ritmes van de strijkers. In het meeslepende, vurige 'Allegro' laat Schubert zijn voorbeelden uiteindelijk los, wat uitmondt in een feestelijke, zelfbewuste finale.