Een tragische vergissing
Een bijdrage van Régis Dragonetti
Met de symfonieën van Schubert loert de verwarring altijd om de hoek. Hij heeft er twee in do groot, een ‘grote’ (nr. 9) en een ‘kleine’ (nr. 6). Die laatste – opgelet, niet dé laatste – moet men echter niet verwarren met het exemplaar in do klein (nr. 4), die Schubert zelf zijn ‘Tragische’ noemde, in tegenstelling tot Schu-mann, nochtans een liefhebber van Schu-bert, die het epitheton van diens vierde een vergissing achtste – achtte, pardon.
Dus voor de duidelijkheid. Het werk waarmee dirigent Valentin Uryupin zijn passage bij Symfonieorkest Vlaanderen zal afsluiten is de ‘Vierde symfonie’ van Franz Schubert, ook wel de ‘Tragische’ genoemd. Schumann vond die bijnaam zoals gezegd niet geheel passend. Daarvoor ontbeerde het werk nog die uitgesproken romantische contrastwerking. Want wat is tragiek anders dan contrast. In de werkelijkheid: dat tussen droom en daad. In muziek: dat tussen volume, registers, stijlen, thema’s…
Als Schubert zich inderdaad vergiste, was dat in ieder geval begrijpelijk. Ten eerste schreef hij de symfonie op amper negentienjarige leeftijd, in het jaar onzes heren 1816. Ten tweede bevond de dominante esthetiek zich aan het begin van de negentiende eeuw tout court in een overgangsfase. Het evenwichtig schoonheidsideaal van het classicisme moest stilaan baan ruimen voor iets geheel nieuws. Een aantekening in Schuberts eigen dagboek getuigt daarvan. Luttele maanden na de voltooiing van zijn ‘Vierde symfonie’ durfde hij de grote Beethoven zowaar betichten van ‘grilligheid die het tragische met het komische, het aangename met het weerzinwekkende, het heroïsche met gejammer, het heiligste met de harlekijn vermengt, verwart en niet onderscheidt; die de mens tot razernij brengt in plaats van hem in liefde te doen opgaan, tot lachen prikkelt in plaats van hem tot God te verheffen.’
Dat is best een krasse uitspraak. Maar zeker niet zonder grond. De eerste helft ervan is zelfs gewoon een treffende karakterisering van Beethovens middenperiode, waarin de componist uit Bonn niet terugschrok voor grote effecten. Vergelijk het aanvangsdeel van Beethovens ‘Vijfde’ met dat uit Schuberts ‘Vierde’ (beide overigens in do klein) en je ontwaart meteen het verschil qua algemene expressie. Tot daar had Schubert het dus zeker bij het rechte einde. Waar hij wel grandioos de mist inging is, was de inschatting dat zulke felle contrasten noodzakelijkerwijs tot lachen prikkelen. Schubert zou het lachen in de daaropvolgende jaren alleszins vergaan en het misprijzend gemonkel geheel inruilen voor een aan idolatrie grenzende bewondering voor zijn oudere vakgenoot.
Och ja, vergissen is menselijk, al te menselijk. En als het dan toch moet gebeuren, waarom dan niet met een vierde symfonie? Want vergis u niet, of juist wel, men hoeft niet tragisch uit de hoek te komen om te beklijven.
Régis Dragonetti is docent theorie aan het KASK & Conservatorium. Hij schreef zijn column bij dit concert op vraag van Muziekcentrum De Bijloke