Muziek als zoektocht
Een bijdrage van Beatrice Rana
Bach is voor mij een van de meest essentiële figuren in de muziek. Zowel voor wie luistert als voor wie het speelt. Al van jongs af aan voelde ik mij er sterk toe aangetrokken. Misschien komt dat doordat zijn muziek zo universeel is: ze spreekt tot mensen van iedere leeftijd, nationaliteit en cultuur. Doorheen mijn leven is hij dan ook een voortdurende metgezel geweest. Het spelen van zijn ‘Goldbergvariaties’ was voor mij één groot muzikaal avontuur. Ik hou ook enorm van de ‘Tweede Franse suite’ die vanavond op het programma staat. De toonaard, c klein, geeft het werk een bijzondere intensiteit. Bij Bach heeft mineur iets bedachtzaams en dramatisch tegelijk. Hoe Frans zijn die Franse suites eigenlijk? Bach heeft tijdens zijn leven zijn thuisland nauwelijks verlaten. Juist dat vind ik interessant: hij neemt elementen uit een andere cultuur over, maar hij maakt er tegelijkertijd iets hoogstpersoonlijks van. Dat geldt voor al zijn suites: de Franse zijn compact en helder, terwijl de Engelse omvangrijker en complexer zijn.
Er schuilt een verrassende verwantschap tussen Bach en Debussy, ook al zit er een landsgrens en 200 jaar tussen. Allebei schreven ze muziek die een pedagogische oorsprong heeft. Bach schreef heel veel klaviermuziek voor zijn leger kinderen, en ook Debussy ontwikkelde zijn ‘Études’ vanuit een technische premisse. Maar tegelijkertijd overstijgen ze allebei dat uitgangspunt. Het zijn geen oefeningen meer, maar volwaardige kunstwerken. Chopin is daarvoor ontzettend belangrijk geweest. Hij heeft de étude getransformeerd van een technische oefening tot een volwaardig kunstwerk. Voor pianisten zijn zijn ‘Études’ bijna een bijbel: ze tonen dat virtuositeit en poëzie volkomen één kunnen worden. Debussy zet die traditie verder, maar op zijn eigen manier: zijn ‘Études’ zijn technisch buitengewoon veeleisend, maar tegelijk subtiel, intellectueel en speels. Het is niet vreemd dat in het Frans ‘jouer’ zowel slaat op het bespelen van een instrument als het spelen zoals een kind. Zijn composities zijn bovendien doorspekt van een laagje ironie – zo heerlijk Frans!
Chopin moest er uiteraard ook bij vanavond. Wanneer ik zijn muziek speel, ben ik vooral gefascineerd door de middelste periode van zijn leven. Het is een donkere en tegelijk zeer visionaire fase, waarin zijn persoonlijke leven en zijn artistieke ontwikkeling sterk met elkaar verbonden lijken. De werken uit deze periode laten een componist horen die voortdurend de grenzen van vorm en klank onderzoekt. Zijn harmonieën en zijn gebruik van het pedaal creëren soms bijna hallucinerende werelden. Op een moderne piano en in een moderne concertzaal is het een enorme uitdaging om die bijzondere klanktaal opnieuw tot leven te brengen. Maar juist daarin ligt voor mij de poëzie van deze muziek. Ik hoor in deze werken een mens die met heel zijn lichaam en ziel op zoek is naar iets wat betekenis kan geven en hem van zijn lasten kan bevrijden. Er is een enorme wilskracht, maar tegelijkertijd ook een grote kwetsbaarheid. De muziek beweegt voortdurend tussen duisternis en licht.
Dat is uiteindelijk ook wat muziek voor mij betekent. Een concert is natuurlijk een moment van schoonheid en plezier, maar muziek kan veel meer zijn dan entertainment. Ze zet ons aan het denken, laat ons vragen stellen over ons eigen leven. En tegelijkertijd biedt ze een bijzondere vrijheid: ze vertelt niet precies wat iets betekent. Wat voor de ene luisteraar verdriet kan zijn, kan voor iemand anders hoop of troost betekenen. Die ambiguïteit is voor mij de grootste kracht. Ze geeft ons geen vaststaande antwoorden, maar opent een ruimte waarin we zelf kunnen luisteren, voelen en nadenken. Misschien is dat wel de mooiste reis die een concert kan bieden.