Björn Comhaire

‘Dit is topsport in het kwadraat’

BRYGGEN speelt én danst ‘De vier seizoenen’

Max Richters ‘Vier seizoenen’ door een strijkorkest dat danst? Jolente De Maeyer van BRYGGEN en choreograaf Michiel Vandevelde voelden het meteen. Maar hoever kan je daarin gaan?

Bram Van Haelter

‘De vier seizoenen’ zijn al eeuwen in beweging. Vivaldi hoorde er zingende lentevogels, zinderende zomers, natte jachtpartijen en wintergebibber in. Max Richter filterde er drie eeuwen later een pulserende, bijna hypnotische nieuwe partituur uit. In ‘four seasons changed’ zet strijkorkest BRYGGEN die beweging verder – en dat mag je letterlijk nemen. 
Samen met choreograaf Michiel Vandevelde zoekt artistiek leider Jolente De Maeyer naar een concertvorm waarin kijken en luisteren niet meer van elkaar te scheiden zijn. Dat vinden ze in een voorstelling waar het orkest al musicerend over het podium beweegt.

Hoe ontstond het idee om een klassiek concert zo radicaal open te breken?

Jolente De Maeyer: “Met BRYGGEN zijn we niet aan ons proefstuk toe: we zoeken wel vaker de grenzen van de traditionele concertcontext op. We speelden al zonder partituren of pupiters, zonder dirigent, en we maakten eerder ook al muziektheater. Gaandeweg merkte ik hoeveel dat ons als orkest oplevert.”
“Voor deze voorstelling zocht ik aanvankelijk iemand die ons kon choreograferen voor één specifiek werk. Ik dacht meteen aan Richters ‘Four Seasons Recomposed’. Die muziek vroeg daar naar mijn gevoel echt om. Er zitten zoveel ritmische patronen in, zoveel repetitiviteit ook, dat ze bijna tranceachtig wordt. Ik voelde: hier zit beweging in.”
“Zo ben ik bij Michiel terechtgekomen. Intussen enkele jaren geleden zijn we gestart met een workshop met onze muzikanten. In een paar dagen tijd hebben we afgetast wat mogelijk was. Kunnen we spelen op grote afstand van elkaar? Kunnen we liggen, draaien, lopen? Hoe ver kan je gaan zonder dat de muzikale kwaliteit eronder lijdt? Na die workshop was het enthousiasme meteen heel groot.”

Hoe begin je aan een choreografie met muzikanten, die natuurlijk geen dansers zijn? 

Michiel Vandevelde: “Tijdens die workshop werd snel duidelijk dat het bewegingsarsenaal van strijkers beperkt is. Ze kunnen wandelen, wiegen, zitten, liggen, lopen. Maar met de armen kunnen ze weinig doen: die hebben ze natuurlijk nodig om hun instrument te bespelen. Hoewel dat beperkte vocabularium voor ons net interessant was, voelden we tegelijk de nood aan iets meer dynamiek. Daarom is er met Amanda Barrio Charmelo een solodanseres bij gekomen.”
“Voor haar bewegingsmateriaal heb ik elk seizoen gekoppeld aan een iconische choreograaf die historisch belangrijk is geweest voor de dans in de twintigste eeuw. De lente vertrekt vanuit Isadora Duncan, de zomer uit Anna Halprin, in de herfst kozen we voor Pina Bausch en bij de winter voor Trisha Brown. Die vier choreografen hebben elk een eigen fysieke taal die elk op een eigen manier uitstekend past bij de manier waarop we de seizoenen wilden verbeelden.”
“Dat vond ik een interessante parallel met Max Richter, die een soort remix gemaakt heeft van Vivaldi’s partituur. Wij hebben bijna dezelfde methode toegepast op de beweging: emblematisch materiaal ontleden, herschikken, hertalen en opnieuw componeren.”

De voorstelling bevat ook electronics van Didem Coşkunseven. Wat voegen die toe?

De Maeyer: “Richters partituur duurt ongeveer 45 minuten. We wilden een avondvullende voorstelling maken, maar ook een ander geluid binnenbrengen. Max Richter schrijft nog altijd voor strijkinstrumenten, oude instrumenten eigenlijk. Met de electronics van Didem Coşkunseven voegen we daar een dimensie aan toe: een vertaalslag naar vandaag.”

Vandevelde: “Dramaturgisch vormen die nieuwe, elektronische delen een soort proloog en epiloog. Je krijgt een geboorte, daarna de vier seizoenen als levensloop, en uiteindelijk de dood. De electronica opent en sluit dus niet zomaar het programma, maar kadert de hele voorstelling.”

Wat gebeurt er met de klassieke orkesthiërarchie zodra iedereen begint te bewegen?

De Maeyer “Die stuikt als een kaartenhuisje in elkaar (lacht). Als publiek weet je eigenlijk niet meer waar de hiërarchie zit. We staan vaak helemaal door elkaar, of allemaal dicht bij elkaar getroept. Natuurlijk is er voor ons wel een systeem: de aanvoerder van de altviolen start bijvoorbeeld een deel, daarna neemt de aanvoerder van de cello’s over. Maar dat gebeurt bijna organisch.”
“Voor ons was dat niet zo’n onmogelijke stap, omdat BRYGGEN geen symfonieorkest is met vijftig mensen op een podium. We staan hier met negentien spelers. Dat is eerder een grote vorm van kamermuziek. Iedereen is belangrijk, iedereen communiceert voortdurend met de rest.”

Verandert zo’n proces ook de groepsdynamiek?

De Maeyer: “Absoluut. Het is al een hele uitdaging om een concert volledig uit het hoofd te spelen – dan moet je als groep echt een soort vertrouwen hebben. Maar hier kwam daar nog een choreografie bij waarin iedereen buiten zijn comfortzone moest gaan.” “De voorstelling begint bovendien helemaal in het donker. Bij de generale repetitie had ik echt het gevoel: nu springen we, allemaal samen, en met een sterk geloof in een goede afloop. Dit project heeft onze teamspirit enorm versterkt. Dat voel je daarna ook in ‘traditionele’ klassieke concerten: die gaan bijna vanzelf, omdat je als groep al zoveel andere dingen hebt geprobeerd.”

Wat vraagt dit fysiek en mentaal van de muzikanten?

Vandevelde: “Als het niveau waarop BRYGGEN normaal speelt al topsport is, dan is dit topsport in het kwadraat. Je moet de muziek correct op het toneel brengen, bewegen in de ruimte, cues onthouden, patronen lopen en ondertussen staan de mensen met wie je normaal samenspeelt soms aan de andere kant van het podium. Dat vraagt een totaal open houding en een uitzonderlijk verhoogd bewustzijn.”
“Het virtuoze is dat het voor het publiek zo vanzelfsprekend lijkt. Je ziet niet hoeveel werk er in deze voorstelling zit, en net daar ontstaat die spanning: een orkest dat iets extreem complex maar ogenschijnlijk eenvoudigs doet.”

Ligt alles daardoor strakker vast dan in een klassiek concert?

De Maeyer: “Er ligt veel vast, zeker choreografisch, maar muzikaal blijft er ruimte. Het tempo is het tempo dat we die avond nemen. Soms is dat iets sneller, soms beweegt het wat anders. Amanda reageert daar ook op. We hebben de voorstelling al verschillende keren gespeeld en telkens weer gebeuren er kleine dingen op een nét iets andere manier. Dat is juist het fijne: een opvoering is nooit twee keer identiek.”

De voorstelling is oorspronkelijk gemaakt voor blackboxzalen: neutrale, verduisterde theaterruimtes waarin je de scenografie volledig kan controleren. De Bijloke is natuurlijk iets helemaal anders. Wat doet zo’n ruimte met de voorstelling?

Vandevelde: “We gaan die architectuur niet proberen te verstoppen achter gordijnen – daar is De Bijloke te mooi voor. Wel integendeel: we laten de Concertzaal zijn wat ze is, en trekken haar mee de voorstelling in.”
“In de scenografie hangt een grote spiegel achteraan. Die is belangrijk omdat je als publiek twee perspectieven krijgt: het frontale beeld en een soort achteraanzicht. In vlakke zalen heb je geen vogelperspectief op de patronen die de muzikanten lopen. Die spiegel kantelt dat perspectief. In De Bijloke kan dat heel mooi werken: de architectuur, Richters muziek, de beweging van de muzikanten én de danseres samen. Dat wordt een ongezien totaalspektakel.”

Zet mij op de wachtlijst

Wenslijstje

Toegevoegd:

Naar wenslijstje

Inschrijven voor onze nieuwsbrief