Julien Mignot

De altviool: menselijk en bijna lichtgevend

Wie hem hoort spreken, hoort een kunstenaar voor wie muziek niet alleen een vak is maar een taal waarin herinnering, verlangen en ontmoeting samenkomen. In dit gesprek vertelt hij, bedachtzaam en begeesterd, over de lyriek van Martinů, de kracht van volksmuziek en de kunst om jonge musici te leren denken met hun eigen stem.

Jasper Gheysen

Wat raakt je persoonlijk in Martinů’s Rhapsody Concerto?

“Het is een stuk waarin je voortdurend de aanwezigheid voelt van iemand die zijn land heeft moeten verlaten. Martinů zat in Amerika, maar zijn muziek blijft in dialoog met wat hij achterliet. In het eerste deel hoor je een zachte, bijna zoekende nostalgie. Het is alsof hij woorden zoekt die er niet zijn. Plots duikt ook een melodie op die iets religieus of iets volks heeft, iets heel Tsjechisch, iets wat naar aarde ruikt. Dat moment voelt als thuiskomen, maar dan in muziek. In het laatste deel is er die Amerikaanse energie: jazz, slagwerk en een nieuwe ritmische vrijheid. Het is zo menselijk. Zonder één woord vertelt hij over heimwee, over vreugde, over de kindertijd die hem nooit verlaten heeft. Dat raakt me elke keer weer. In Martinů hoor je een man die ver van huis toch probeert terug te spreken.”

Hoe zou je deze muziek omschrijven voor iemand die Martinů niet kent?

“Ik zou zeggen dat het muziek is die zich niet laat vastpinnen. Ze danst zoals Bartók kan dansen, soms met die nerveuze, gedreven energie die ook bij Brahms’ Hongaarse dansen opduikt. Je voelt een puls die het lichaam meeneemt. Maar tegelijkertijd is het muziek die zich voortdurend naar binnen keert: melodieën die niet eindigen, die verder willen denken, verder willen ademen. Martinů bouwt spanning op en laat die spanning niet los omdat hij iets wil vertellen. En net wanneer je denkt dat hij blijft cirkelen, opent zich een melodie zo helder en vredig dat je bijna niet begrijpt hoe je daar bent gekomen. Dat is de magie van dit concerto. Het is een wereld die beweegt tussen verlangen en vitaliteit. Deze muziek danst, zucht, glimlacht en durft zonder gêne te dromen.”

De altviool speelt een bijna vocale rol. Hoe denk je over kleur en frasering in dit werk?

“Wat ik prachtig vind, is de afwisseling. Soms laat Martinů de altviool zingen zoals een menselijke stem zingt, breed, warm, bijna sprekend. En dan plots vraagt hij iets wat bijna vioolachtig is: virtuoze lijnen, hoge registers, dubbelgrepen met een technische intensiteit die we aan Hindemith en Bartók te danken hebben. Hij speelt met twee identiteiten van het instrument: de stem en de dans, het verhaal en de beweging. Dat voortdurende schakelen tussen het aardse en het sprankelende maakt dit stuk zo rijk. De altviool krijgt een stem die tegelijkertijd menselijk en bijna lichtgevend is.”

Hoe vind je de balans tussen de rapsodische vrijheid en de duidelijke structuur?

“Martinů heeft een bijna obsessieve liefde voor syncopen. Dat betekent dat de zwaartepunten constant verschuiven en dat je nooit het gevoel hebt dat er een vaste grond is. Daardoor ontstaat een enorme vrijheid, alsof de altviool improviseert. Maar dan komen die ritmische patronen uit de volksmuziek, de dans, de herhaling, het stampen van voeten op aarde. En plots ligt er toch structuur onder. Hij laat je zweven en landen tegelijk. Dat vind ik ongelooflijk. Vrijheid die zich laat temmen door ritme, dat is het hart van deze rapsodie.”

Is de overgang van lyriek naar ritmische energie lastig? Van deel één naar deel twee dus.

“Helemaal niet. De sprong naar energie komt vanzelf. Het is zoals een paard dat wil rennen. Wat veel moeilijker is, is de omgekeerde beweging: de terugkeer naar rust, naar een ontspannen toon, een vibrato dat opnieuw rond en zacht wordt. Die omslag vraagt controle en overgave. En die paradox is typisch voor Martinů.”

Je hebt al zo veel bereikt. Zijn er nog dromen?

“Meer dan genoeg. Ik ben de laatste jaren steeds meer gepassioneerd geraakt door volksmuziek. Deze traditionele muziek is gegroeid uit leven, uit arbeid, uit vreugde en verdriet. Die muziek is zo eerlijk. Ze gebruikt geen ingewikkelde structuren om te imponeren, maar ze spreekt rechtstreeks tot het hart. Ik wil die wereld blijven verkennen, zeker de Hongaarse traditie. Misschien komt dat omdat mijn partner Alexandra Preucil half Hongaars is, maar het voelt als een natuurlijke verlenging van wie ik ben. De altviool is het midden van de harmonie, zei Bach, en ik voel dat letterlijk. Het instrument hangt precies tussen hoofd en buik, tussen reflectie en instinct. Ik droom ervan dat mensen na een concert zeggen dat ze nooit hadden gedacht dat een altviool zo kon klinken. Als ik kan blijven reizen, spelen, uitleggen en luisteren, dan mag de rest gewoon meereizen. Ik wil voor altijd een ambassadeur blijven voor dit nog steeds ondergewaardeerde instrument.”

Dit interview verscheen oorspronkelijk in het magazine van Antwerp Symphony Orchestra

Zet mij op de wachtlijst

Wenslijstje

Toegevoegd:

Naar wenslijstje

Inschrijven voor onze nieuwsbrief