Heimwee naar…
Een column van Jasper Gheysen
Antonín Dvořák kon geen afscheid nemen. Niet alleen in zijn leven, maar ook in zijn muziek. Wie zijn ‘Zevende Symfonie’ beluistert, hoort een componist die het slot steeds weer uitstelt; alsof elk einde iets onherroepelijks inhoudt. Dvorak doet dit niet uit onmacht, maar uit aarzeling of wroeging. Loslaten was voor onze Tsjechische vriend nooit vanzelfsprekend.
Die gedachte, met vallende sneeuw als mijn schrijfdecor, dringt zich vandaag misschien sterker op dan vroeger. Ik herinner me hoe ik, net aan het begin van mijn professionele parcours, een interview mocht afnemen met dirigent Kees Bakels over Dvořáks ‘Negende Symfonie’. Hij sprak toen niet over triomfen of de Nieuwe Wereld (waar de symfonie eigenlijk niet over gaat), maar over afscheid. Over een componist die wel vertrok naar Amerika, maar diep vanbinnen bleef omkijken naar zijn heimat. Dat gesprek is me altijd bijgebleven, omdat het iets benoemde wat verder reikt dan één werk.
Ook de ‘Zevende Symfonie’ staat volledig in dat teken. Dvořák componeerde haar op een moment waarop hij steeds nadrukkelijker tussen twee werelden leefde. Internationale erkenning met een meer universele taal, mede door een grote bewondering voor Brahms, en tegelijkertijd een diepe, bijna lichamelijke verbondenheid met Bohemen. Zijn onschuldige nationalistische trekjes waren geen strijdkreet, noch een programmatisch statement. Het was heimwee: een voortdurende spanning tussen vooruitgaan en trouw blijven.
Muzikaal vertaalt zich dat in een symfonie die weigert te bulderen. Het openingsdeel is donker en onrustig, alsof de muziek haar richting telkens opnieuw moet aftasten. Het ‘Poco adagio’ belooft lyriek, maar dit is slechts een valse hoop. Je voelt als het ware dat zelfs deze schoonheid klinkt onder voorbehoud. Het ‘Scherzo’, doordrongen van furiant-ritmes, danst niet om te vieren, maar om hopeloos in beweging te blijven.
En dan de finale. Dvořák blijft opvallend lang in re klein, een van de donkerste toonaarden die er is. Wanneer re groot uiteindelijk verschijnt, voelt het niet als een overwinning, maar als iets wat pas na veel aarzeling kan worden toegestaan. Geen gejubel, maar authentieke aanvaarding. Het afscheid komt er dus wel degelijk, al is het zonder groot gebaar.
Misschien raakt deze symfonie me daarom zo. Omdat ik, net als Dvořák, moeite heb met afscheid nemen. Van ideeën, van mensen, projecten, van zekerheden die ooit vanzelfsprekend leken. Muziek die haar einde uitstelt, toont iets menselijks: het verlangen om nog even te blijven, om niet te snel af te ronden wat betekenis heeft gekregen.
Heimwee is dan geen verlangen naar het verleden, maar het besef dat sommige dingen zich niet laten afronden. En misschien hoeft dat ook niet. Misschien mag het leven, net als de muziek, blijven nazinderen…
Jasper Gheysen is musicoloog, Gangmaker en oprichter van JAMM, een creatieve onderneming die muziek toegankelijk wil maken voor een breed publiek. Hij schreef zijn column bij dit concert op vraag van Muziekcentrum De Bijloke