Diepe dimensies
Een bijdrage van Tim Rutherford-Johnson
‘VÍDDIR’, een werk dat Bára Gísladóttir schreef toen ze afstudeerde aan de Koninklijke Deense Academie voor Muziek, werd voor het eerst uitgevoerd in februari 2020, in en met de enorme akoestiek van de Grundtvigkerk in Kopenhagen. Zoveel jaar later, in de vroege uurtjes van de ochtend, zit ik in de blauwgrijze gloed van mijn laptop, zet ik mijn koptelefoon op en druk ik op play. Vanaf de eerste klanken van vijf basfluitisten die ‘zo hard mogelijk’ in hun instrumenten schreeuwen, is het duidelijk dat ‘VÍDDIR’ geen luchtige sprong in een nieuw leven is. Het is een stuk als een zwarte nacht. Een afgrond waarin Gísladóttir is gedoken en diep is doorgedrongen. Het duurt een ononderbroken uur en keert steeds weer terug naar zijn eigen donkere licht.
De criticus Andrew Mellor, die de première van ‘VÍDDIR’ bijwoonde minder dan een maand voordat de giftige orkaan genaamd Covid door Europa raasde, schrijft in zijn boek ‘The Northern Silence’ dat de “oeroude gerommel en geratel van VÍDDIR leken op momentopnames van een groter proces, een proces waarvan de natuurlijk terugkerende cycli geen begin of einde hebben. Of dat was zo, totdat de mensheid zich ermee ging bemoeien... De voorstelling voelde minder als een waarschuwing dan als een profetie – rationeel Scandinavisch in zijn bewering dat de ondergang van de mensheid een uitgemaakte zaak was; duister IJslands in zijn bereidheid om in geluid precies te onderzoeken wat dat zou kunnen inhouden.”
Voor dat alleen al zou VÍDDIR onze aandacht waard zijn. Maar zoals de IJslandse titel – ‘Dimensions’ – suggereert, is het veel meer dan dat. De eerste dimensie is ruimte, uitgedrukt door de enscenering van het werk. De negen fluiten zijn gerangschikt in een zilveren halo rond het publiek: een glanzende waarnemingshorizon waarachter de klanken niet langer onder controle staan van de spelers, maar worden overgelaten aan de akoestiek van de ruimte. In het midden vormen de twee bassisten een dichte, soms explosieve kern naast de drie percussionisten, wier instrumenten worden gedomineerd door meer metalen cirkels: Chinese operagongs, crotales, tempelkommen en meer. De hele opstelling is een uitbreiding hiervan: een gigantisch cirkelvormig instrument waarvan de geluiden vanaf de rand naar het midden instorten, voordat ze onverbiddelijk weer naar buiten en verder worden gereflecteerd.
De tweede dimensie is geluid. Elke groep instrumenten is op de een of andere manier uitgebreid: akoestische bas met zijn versterkte dubbelganger; fluiten vermenigvuldigd over de registers van bas tot piccolo; en het percussietrio van eindeloze klokken en bellen. Regenstokken, bespeeld door de percussie, verbinden het korrelige gesis van gongs en fluiten. Twee kamerorgels, bespeeld door de percussionisten, vormen een brug tussen de drie instrumentale groepen. Hun registers worden half uitgetrokken en vervolgens heen en weer geduwd om aanhoudende maar vervormde klanken te creëren die doen denken aan elektronische muziek. In hun vervormingen en verdubbelingen vormt elk instrument een as die elke andere snijdt. En ze zinken allemaal weg en lossen op in de stenen muren van de kerk.
De laatste dimensie is tijd. ‘VÍDDIR’ is een werk waarvan de muziek niet zozeer in het moment plaatsvindt als wel in de nasleep ervan, in de nagalm. Hoewel het sindsdien in andere gebouwen is uitgevoerd, is de akoestiek van de Grundtvigkerk zo centraal in de conceptie van het werk dat Gísladóttir het gebouw beschouwt als een naamloze vijftiende uitvoerder. Terwijl de klanken worden voortgebracht, vervagen ze en bloeien ze open in die resonantie. In de brede poelen die zich openen terwijl de muziek ademt, vullen Gísladóttir en (elektrische bassist) Skúli Sverrisson de ruimtes met improvisatie. Dit zijn de donkerste punten in het stuk, waarin vaste materie wordt opgezogen en verneveld. Ze zijn in de partituur gemarkeerd met grafische tekens, die de spelers naar eigen inzicht kunnen interpreteren. De eerste is toepasselijk geschreven als een fijne nevel van stippen; andere zijn lichtvlekken op een zwarte achtergrond, of de visuele ruis van glitchende pixels. Maar juist in deze zwarte gaten, waar zelfs de tijd lijkt te verdwijnen (in de partituur zijn ze niet in tellen of zelfs seconden aangegeven, maar in minuten), wordt een uitweg gevonden. Hier, in het diepste hart van het werk, glinstert de percussie als steenkool. Drie gigantische tam-tams – ‘de grootste die we kunnen vinden’, vraagt de partituur – zorgen voor de verpletterende climax van een toch al verpletterend stuk. Gedurende vijftien minuten daarna overziet een enkele basfluit (Björg Brjánsdóttir) het wrak, neuriënd, huilend en uiteindelijk wegzinkend in de leegte, waarbij ze alles met zich meeneemt.
'Uiteindelijk kwam er een einde aan VÍDDIR', schrijft Mellor. 'Het kwam tot rust, net als Tapiola, op een stukje kenmerkend licht – niet zozeer de warme gloed van de veiligheid van het bos als wel het witte licht van algemene vernietiging. Aan mijn bureau, terwijl de zon opkomt en het geluid van fluiten in de lucht verdwijnt, sta ik op en rek me uit. Ik sluit mijn laptop en loop de kamer uit. Het is tijd om te leven.
Tim Rutherford-Johnson is journalist en musicoloog. Hij schreef deze tekst oorspronkelijk voor het cd-boekje bij de opname van VÍDDIR uit 2022 (Da Capo Records).