Over Brewaeys, Mendelssohn en Tsjajkovski

Ray-Anne De Brandt

Luc Brewaeys
Symfonie nr. 3 ‘Hommage’ 

Piepende strijkers, oorverdovende paukenslagen en knarsende blazers: Luc Brewaeys’ 'Derde symfonie' (1991) dompelt de luisteraar onder in de rijkdom aan klankkleuren van het symfonisch orkest. Wat zich ontvouwt, is een tumultueus, veelkleurig en tegelijk verfijnd harmonisch palet. Nauw verwant aan de spectrale stijl staan boventonen en timbre centraal, waardoor alle instrumenten een gelijkwaardige rol krijgen in het klankweefsel. De symfonie, bijgenaamd ‘Hommage’, brengt hulde aan de Amerikaanse componist Aaron Copland. De macrostructuur van diens 'Short Symphony' dient als het formele uitgangspunt, al is Brewaeys’ werk ironisch genoeg nog korter. Halverwege verzacht de muziek tot de stilte warempel zelf deel wordt van het orkest. Blazers creëren met pure luchtklanken een nagenoeg voelbare textuur. Uit deze ijlte ontstaat een spectrale ruis waarin bijna buitenaardse klanken samensmelten tot een etherische massa. Strijkers en een met strijkstok bespeelde vibrafoon scheppen een helder moment. Langzaam ontwaakt het orkest om uiteindelijk uit te monden in een oorverdovend, abrupt afgebroken crescendo; een slot op z’n Brewaeys.

Felix Mendelssohn (1809-1847)
Vioolconcerto in e

Van de vier grote Duitse vioolconcerti is dat van Mendelssohn ongetwijfeld het intiemste en puurste; een werk dat rechtstreeks tot het hart spreekt. Mendelssohn schreef zijn 'Vioolconcerto in e' (1844) in samenwerking met violist Ferdinand David, een destijds ongewone hechte wisselwerking tussen componist en solist. De solist opent meteen met een hartstochtelijk en briljant hoofdthema; een opvallende vernieuwing binnen het genre. Na een woelig samenspel met het orkest verstilt de muziek; bij Mendelssohn zijn de stilste momenten vaak de meest betekenisvolle. In het eerste deel duikt reeds een verrassend virtuoze cadens op, waar die traditioneel pas in de finale verwacht wordt. Een zachte fagot verbindt de delen en voorkomt zo een stilte. Het Andante ademt een pastorale, mild melancholische rust. In de finale trekken eerst nog wat donkere wolken voorbij, maar uiteindelijk klaart de muziek op in een zonnige, speelse sfeer. Tot slot vieren solist en strijkers een opgewekt tegenmotief: licht, elegant en vol levenslust.

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)
Symfonie nr. 1 ‘Winterdromen’

Tsjaikovski’s 'Eerste symfonie' weerspiegelt zijn zoektocht naar een eigen Russische stem. Als eerste symfonie is dit wellicht zijn meest oprechte. Geplaagd door faalangst en scherpe kritiek van zijn voormalige leermeesters worstelde de componist zich door het schrijfproces. Toch groeide deze symfonie uit tot een beklijvende publieksfavoriet. Gedoopt tot ‘Winterdromen’ dompelt het werk je onder in het besneeuwde Rusland van 1866. Het openingsdeel, 'Dagdromen over een winterreis', onthult een betoverend thema waarin gelukzalige jeugdherinneringen doorklinken. In het intieme tweede deel, 'Sombere en mistige landschappen', reis je mee naar zijn geboorteplaats. Na een weemoedige introductie van de strijkers ontroert de hobo met een dromerige melodie. Het levendige 'Scherzo' danst als kunstschaatsers op een bevroren meer. Het lyrische middendeel gunt even rust na een speelse start. In het slotdeel ontpopt een talmende, sombere fagotmelodie zich tot een energiek 'Allegro' met majestueuze dansthema’s. Met een feestelijke climax profileert Tsjaikovski zich reeds jong als meester van de grandioze finale.

Put me on the waiting list

Wish list

Added:

To wishlist

Subscribe to the newsletter