Grootse miniatuurtjes

Een bijdrage van Sven Sabbe

Benjamin Britten behoort zonder twijfel tot de belangrijkste liedcomponisten van de twintigste eeuw. Van bij het begin van zijn carrière stond de menselijke stem centraal in zijn muzikale denken: niet alleen in zijn opera’s, maar ook in zijn verfijnde kunstliederen en de vele arrangementen van volksliederen die hij gedurende zijn hele leven bleef schrijven. In Brittens liedkunst ontmoeten literaire gevoeligheid, theatrale verbeelding en een uitzonderlijk gevoel voor tekstexpressie elkaar op unieke wijze.

De cyclus ‘Winter Words’, opus 52, toont Britten op het hoogtepunt van zijn kunnen als componist van kunstliederen. De poëzie van de hand van Thomas Hardy (schrijver van onder andere ‘Far from the Madding Crowd’) is melancholisch, observerend en vaak doordrongen van herinnering en verlies, en vindt in Brittens muziek een bijzonder subtiele verklanking. De piano is hier veel meer dan begeleiding: ze schept landschappen, roept personages op en onthult emoties die achter de woorden verborgen blijven. Elk lied vormt een miniatuurdrama waarin Britten met een bijna cinematografische precisie sfeer en karakter tekent. Toch blijft de muziek opvallend helder en direct, alsof componist en dichter samen een intieme blik werpen op de kwetsbaarheid van het menselijke bestaan.

Een heel andere toon klinkt in ‘Who are these children?’, opus 84. Voor deze cyclus gebruikte Britten teksten van de Schotse dichter William Soutar, geschreven in zowel Engels als Schots dialect. De liederen balanceren voortdurend tussen onschuld en dreiging. Kinderrijmpjes, wiegeliederen en speelse beelden worden doorkruist door verwijzingen naar oorlog, geweld en maatschappelijke ontwrichting. Britten schreef het werk in 1969 tijdens een periode van politieke spanningen en groeiende bezorgdheid over oorlog en militarisering – thema’s die hem als overtuigd pacifist diep raakten. De muziek is vaak scherp en uitgepuurd, soms haast ironisch, maar behoudt steeds een intense emotionele lading.

Naast deze kunstliederen vormen Brittens folk song arrangements een wezenlijk onderdeel van zijn vocale oeuvre. Vanaf de jaren veertig arrangeerde hij tientallen traditionele melodieën uit de Britse eilanden en daarbuiten, meestal voor stem en piano, later ook voor gitaar of harp. Britten behandelt het oorspronkelijke materiaal met grote eerbied, maar geeft het tegelijk een nieuwe artistieke context. De melodieën blijven herkenbaar in hun eenvoud en directheid, terwijl de pianopartijen een rijke onderlaag van kleur, ritme en karakter toevoegen. In het tedere ‘Ca’ the Yowes’ laat Britten de melodie bijna gewichtloos zweven boven een zachte begeleiding, terwijl ‘O can ye sew cushions?’ de intimiteit van een wiegelied bewaart zonder sentimenteel te worden. ‘O Waly, Waly’, wellicht een van de bekendste Britse volksliederen, krijgt bij Britten een ingetogen, bijna tijdloze melancholie. Daartegenover staat het bruisende ‘Oliver Cromwell’, waarin humor, virtuositeit en theatrale energie samenkomen.

Wat deze uiteenlopende werken verbindt, is Brittens uitzonderlijke vermogen om taal en muziek organisch met elkaar te verweven. Of hij nu Hardy’s poëzie toonzet of een eeuwenoude volksmelodie bewerkt: steeds zoekt hij naar de menselijke stem achter de woorden. Zijn liederen en arrangementen getuigen van een componist die eenvoud nooit verwarde met oppervlakkigheid, en die in de kleinste vocale vormen een ongekende rijkdom aan emotie en betekenis wist te leggen.

Sven Sabbe is musicoloog en content manager bij Muziekcentrum De Bijloke

Put me on the waiting list

Wish list

Added:

To wishlist

Subscribe to the newsletter