Gedijen in de eenzaamheid
Een bijdrage van Florestan Bataillie
Wat is een vleugelpiano toch een indrukwekkend ding. Een blinkende, zwartgelakte krachtpatser die zo ontworpen is dat het de grootste concertzaal zonder enige moeite kan vullen. De moderne Steinway laat de pianist schitteren in het meest virtuoze spierballengerol en zorgt ervoor dat het in de meest intieme passage lijkt alsof er enkel voor jou wordt gespeeld, tot op de allerlaatste rij. Samen brengen de pianist én de piano honderden mensen tegelijk in vervoering.
Maar wil je de ziel van Frédéric Chopin begrijpen, dan moet je die bombastische klankwereld en het pluche van de grote concertzaal achter je laten. Je moet terug in de tijd, naar de intieme Parijse salons van de negentiende eeuw. Daar stond een heel ander soort vleugel, eentje uit het atelier van de Oostenrijkse componist, uitgever en instrumentenbouwer Ignaz Pleyel.
Chopin had een moeilijke relatie met het podium, niet in het minst door zijn slechte gezondheid. Hij was zeker niet het applausdier dat zijn tijdgenoot Franz Liszt was. Terwijl Liszt als een popsensatie avant la lettre de snaren van de toen zeer geliefde Érard-vleugels door zijn brute kracht deed springen, zocht Chopin de nuance. Veel volume interesseerde hem niet, intieme dichterlijkheid des te meer. "Als ik me niet goed voel," zo schreef hij ooit, "speel ik op een Érard, want die geeft me een kant-en-klare klank. Maar als ik geïnspireerd ben en de kracht heb om mijn eigen geluid te boetseren, dan heb ik een Pleyel nodig." Zo liet hij er bijvoorbeeld eentje overkomen naar Mallorca in de winter van 1838. Hij was er om te kuren maar door het slechte weer draaide zijn reisje helemaal anders uit. Hij componeerde er doodziek zijn Preludes, opus 28.
Een Pleyel uit de jaren 1830 en 1840 is geen allemansvriend. Het is hard werken om die piano aan het zingen te krijgen. De toetsen zijn lichter, de klank helder maar zacht en melancholisch. Het instrument reageert op de subtielste aanraking en dwingt de speler daardoor tot het uiterste raffinement. Waar een moderne Steinway kan uithalen als een Italiaanse tenor, fluistert een oude Pleyel lieve woordjes in je oor.
Het is exact die fluistering die we horen in veel van Chopins ‘Nocturnes’ en ‘Preludes’. Deze werken zijn absoluut niet geschreven voor massa’s toehoorders per keer, maar gedijen net het best in de eenzaamheid. Hoor je ze weerklinken op een authentieke Pleyel, dan vallen de puzzelstukjes allemaal op hun plek. De bassnaren resoneren transparant en de melodie in het hogere register klinkt als parelende waterdruppels.
Is het niet treurig? We spelen de meest intieme muziek ooit gecomponeerd nu hoofdzakelijk op instrumenten die gebouwd zijn voor maximale projectie. We hebben van Chopins heimelijke bekentenis een toespraak gemaakt. Er is intussen wel een tegenbeweging gaande. Steeds meer pianisten ruilen de zwarte reuzen in voor de kwetsbare houten Pleyels van weleer. Want pas als je de Pleyel hoort zuchten onder de vingers van een pianist die durft te doseren, hoor je Chopin zoals hij werkelijk was: een componist die wist dat de grootste emoties vaak in de kleinste details verborgen liggen.
Florestan Bataillie is pianist, componist, schrijver en maakt theatervoorstellingen over klassieke muziek. Hij schreef zijn column bij dit concert op vraag van Muziekcentrum De Bijloke