De energie van de symfonie

Ida Moberg

Sunrise (uit Sunrise Orchestral Suite)

Zonnebaden

De morgenstond heeft goud in de mond. Of je nu een ochtendmens bent of pas aanspreekbaar na enkele koppen koffie, het krieken van de dag is en blijft bijzonder. Al vele eeuwen biedt het inspiratie voor de kunsten. Ook enkele componisten schreven hun odes aan de dageraad, denk maar aan Edvard Griegs Morgenstimmung uit Peer Gynt of Lever du jour uit Maurice Ravels Daphnis et Chloé.   

Ook in Finland is de zonsopkomst op weergaloze wijze verklankt. Ida Moberg opent met haar Sunrise een klankwereld die zich gedraagt als een langzaam ademende horizon. De muziek beschrijft een gestage expansie van licht, kleur en ruimte. Sunrise is gebouwd op eenvoudige motieven die telkens in nieuwe gedaantes terugkeren, alsof de natuur zelf langzaam haar contouren onthult na een lange nacht.

Het werk vangt aan met uiterst zacht spelende strijkers. Ze leggen als het ware een dun laagje nevel over het landschap. Als een intense gloed werpt de muziek nadien de eerste zonnestralen op de wereld. De koperblazers voorzien de muziek van nog meer warmte. Moberg bouwt de spanning op met trage harmonische verschuivingen die niet dramatisch maar net verwachtingsvol klinken. Naar het einde toe wordt de orkestklank steeds breder, maar nooit overweldigend. De zon prijkt op het einde bovenaan de hemel, maar Moberg vermijdt nadrukkelijk bombast. Dit werk is geen theatrale zonsopkomst, maar een eerbiedige. De dag kan eindelijk beginnen. Wie weet welke kansen die allemaal met zich meebrengt?  

Joseph Haydn

Symfonie nr. 39 in g klein

Storm op zee

Haydn was net in dienst als kapelmeester voor Prins Nikolaus Esterházy toen hij zijn 39ste symfonie componeerde. Het behoort tot de werken die hij schreef binnen de zogeheten ‘Sturm und Drang’-beweging. Dit zijn stukken waarin de componist zich wat afwendde van het gangbare, hoffelijke classicisme en de expressieve grenzen verlegde. Deze symfonie is vinnig en vol emotionele spanning. De keuze voor een mineurtoonaard draagt bij aan de ernst en intensiteit die het werk uitstraalt. Het is een van de eerste symfonieën die Haydn in een kleine toonaard schreef. 

Het openingsdeel is direct onrustig. Het opent tamelijk zacht, in tegenstelling tot de vele andere symfonieën die net met een krachtig tutti inzetten. Kenmerkend voor dit eerste deel zijn ongetwijfeld de vele onverwachte generale pauzes. De symfonie is nog geen vier maten ver of Haydn stopt ermee en lijkt zich af te vragen hoe hij nu in hemelsnaam verder moet. In schril contrast met deze weifelende start zijn er veel passages die als bliksemschichten door het orkest lijken te schieten. De contrasten in het eerste deel zijn met andere woorden heel abrupt en de dynamiek verloopt grillig. Haydn zet de luisteraar de hele tijd op het verkeerde been: net wanneer je denkt een structurele zekerheid te horen, wisselt de muziek van richting. 

Het langzame deel in andante is een moment van opluchting, maar het biedt geen zuivere rust. Het is tegelijk sierlijk en melodieus, maar toch sluipt er een schaduw mee in de begeleiding. Let op de vele rustig kabbelende triolen bij de violen en de wandelende achtste noten bij de bassen. 

Nadien krijgen we niet bepaald een luchtig menuet. In plaats van de typische hoofse dans in driekwartsmaat schrijft Haydn hier een steviger streepje dansmuziek met kordate ritmiek. Het trio contrasteert, onder meer door de lichtvoetige interventies bij de houtblazers. Het slotdeel bruist, drijft en jaagt voort. Er heerst een haast koortsachtige drang in de finale, alsof de muziek zich een uitweg wil banen. De bijnaam ‘Tempesta di mare’ lijkt hier dan ook niet slecht gekozen: tijdens deze woeste storm wil je liever niet op zee zijn. 

Bohuslav Martinů

Rapsodieconcerto voor altviool en orkest, H 337

Atypisch

Het Rapsodieconcerto is een van Martinů’s meest lyrische en warme orkestwerken. Geschreven in zijn late periode, ademt het de nostalgie van een componist die een leven lang tussen culturen, landen en stijlen heeft gereisd. In tegenstelling tot het traditionele virtuozenconcerto is dit werk eerder een geanimeerde dialoog: de altviool krijgt een stem die zowel zingt als mijmert. Hij schreef het werk in opdracht van altviolist Jascha Veissi die het tevens op de première speelde in februari 1953 met het Cleveland Orchestra o.l.v. Georg Szell. Veissi had na de première zelfs nog een aantal jaren het exclusieve recht op dit concerto en vertolkte het op tournee in Amerika en Europa. Nadat de exclusiviteit was verstreken, werd het een van de meest gespeelde altvioolconcerti van de twintigste eeuw. Dit werk bestaat eerder ongebruikelijk uit slechts twee delen en laat een subtiele verschuiving in Martinů’s stijl zien.

Jeugdsentiment

Het eerste deel, Moderato, opent in Bes groot, de favoriete toonsoort van de componist in diens late werken. Na een uitgebreide orkestrale inleiding komt de altviool binnen met een lyrische melodie. Hoewel Martinů de solist zeker genoeg mogelijkheden biedt om zijn virtuositeit te tonen in extraverte passages, is het hoofdkarakter van het werk toch vooral lyrisch en rustig. De muziek heeft tegelijk iets Boheems en moderns; echo’s uit de volksmuziek zijn subtiel verweven met neoklassieke helderheid. Martinů’s typerende liefde voor ritmische verschuivingen zorgt voor een voortdurend meanderende stroming in de muziek. Zijn rijke orkestratie vormt dan weer een evenwichtige aanvulling op de warme klank van de altviool. 

Het tweede deel, Molto adagio-Allegro, vangt aan met een contemplatieve sfeer, maar ook enkele dansritmes steken de kop op. De orkestratie begint luchtig: houtblazers kleuren de melodieën en de strijkers geven alles een lichte glans, maar in het centrale climaxgedeelte toont Martinů een andere kant van zijn persoonlijkheid door dramatische dynamische veranderingen en inventieve orkestrale texturen te gebruiken. Hij zet ook percussie in, die tegen het einde van het deel de positie binnen het orkest stevig heeft verankerd. Het ogenschijnlijk rustige einde wordt versierd door de snaredrum en houtblazersakkoorden. De altviool maakt zich in dit deel los en zweeft met een bijna improvisatorische vrijheid over het orkest. Niet luidruchtig, maar als een gedachte die plotseling helder wordt. Het werk eindigt niet met een triomf, maar met een kalme, licht melancholische afronding. Alsof de solist nog iets wil zeggen dat toch onuitgesproken blijft. De laatste slagen van de snaredrum verbeelden een vroege herinnering van de componist. Hij vertelde aan zijn biograaf Šafránek dat hij als kleine jongen in zijn geboortestad Polička in de galerij van de kerktoren rondliep, terwijl hij op een kleine trommel speelde. 

Antonín Dvořák

Symfonie nr. 7 in d klein, opus 70

Niet zo Boheems

De Zevende symfonie markeert een periode waarin Dvořák zich bewust wilde meten met de grote symfonische traditie van Brahms. Ze geldt dan ook als Dvořáks minst ‘Tsjechische’ symfonie. Het lijkt alsof hij wilde afrekenen met de kritiek dat hij uitsluitend nationale muziek kon schrijven. Het resultaat is zijn meest dramatische en misschien wel meest persoonlijke symfonie. Eind 1884 was Dvořák inmiddels uitgegroeid tot een componist van formaat: de Philharmonic Society of London had dit werk immers bij hem besteld. 

In de tijd dat Dvořák deze symfonie schreef waren er behoorlijk wat politieke problemen in zijn land. Hij besloot dat zijn nieuwe symfonie deze strijd zou weerspiegelen. Daarmee zou de symfonie ook iets onthullen van zijn persoonlijke worsteling om zijn vredelievende inborst te verzoenen met zijn intense vaderlandsliefde en zijn innige wens om het Tsjechische volk te zien bloeien. Hij voltooide een schets van het eerste deel in vijf dagen en schreef aan een van zijn vrienden: “Ik ben nu druk bezig met deze symfonie voor Londen en waar ik ook ga, ik kan aan niets anders denken. Moge God het toelaten dat deze Tsjechische muziek de wereld zal ontroeren!”

Briljante underdog

Het eerste deel opent met een donkere kleur in de lage strijkers die direct spanning schept. Het hoofdthema is plechtig, bijna streng. Dvořák bouwt een structuur die gebukt gaat onder sluimerende dreiging. Het hoofdthema keert de hele tijd subtiel terug in nieuwe gedaanten, als een drijvende kracht die door het hele werk stuwt.

Na de storm komt een moment van intens, elegisch licht in het tweede deel. De melodieën zijn breed en warm, maar nooit sentimenteel. De hobo- en klarinetsolo’s creëren momenten van verstild verlangen. Toch blijft onder de oppervlakte steeds de spanning voelbaar.

Het Scherzo is dan weer een van Dvořáks meest energieke dansbewegingen. De ritmische scherpte en de Boheemse accenten geven het deel een aardse vitaliteit. Als er dan toch iets Tsjechisch aan deze symfonie is, dan is het wel deze volksdans die zich een weg baant door de verder hermetische structuur. Het trio biedt rust, de houtblazers mengen hier hun zachtere kleuren met de zwierige dansritmes.

Het slotdeel keert terug naar de dramatiek van het begin. De muziek is gespannen, voortgedreven door een ritmische beweging die steeds krachtiger wordt. Aan het einde klinkt doorheen enkele van Dvořáks meest indrukwekkende slotpagina’s een stralende overwinning. Samen met zijn Achtste wordt deze symfonie door ingewijden als het hoogtepunt van zijn symfonische werk beschouwd. Ze wordt in één adem genoemd met werken als Schuberts Negende of de vier symfonieën van Brahms. Al staat ze qua populariteit toch nog behoorlijk in de schaduw van zijn overbekende Negende met de bijnaam ‘uit de Nieuwe Wereld’.

Florestan Bataillie

Zet mij op de wachtlijst

Wenslijstje

Toegevoegd:

Naar wenslijstje

Inschrijven voor onze nieuwsbrief