Partners in crime

Een bijdrage van Sven Sabbe

Johannes Brahms, de laatste van de drie grote B’s, heeft zijn hele leven moeten vechten. Tegen die overweldigende schaduw van Beethoven die nog altijd over hem hing – of waarom denk je dat hij vijftien jaar wachtte om zijn ‘Eerste symfonie’ uit te brengen? – maar ook tegen de muziekcritici uit zijn tijd, die het misschien allemaal niet zo goed begrepen.

Hij begon te schrijven aan zijn ‘Eerste Pianoconcerto’ in 1854, kort nadat zijn goede vriend Robert Schumann werd opgenomen in een instelling. Het ‘Maestoso’ raakte meteen een gevoelige snaar bij Clara Schumann: “Het is een prachtig werk, groots in opzet maar met de allermooiste melodieën.” Toen het in 1858 in première ging, had het doorheen de jaren vele vormen aangenomen. Wat begon als een sonate voor twee piano’s (misschien voor de twee piano’s die in de woonkamer van de familie Schumann stonden?) evolueerde al snel naar een heuse symfonie, die dan weer grotendeels buiten gekegeld werd ten voordele van het uitwerken van een pianoconcerto.

Het publiek moest er niets van weten. Na een nogal desastreuze start – na de eerste uitvoering in Leipzig werd hij uitgefloten – bleef het werk enkele jaren liggen. In een brief aan Hans von Bülow, die hem had geschreven dat hij het ‘Pianoconcerto’ in 1882 zou spelen, antwoordde Brahms: “Je durft nogal, om een zo verguisd werk te brengen”.  Waarom maakte hij van zijn ‘Eerste pianoconcerto’ dan ook niet zo’n showspel zoals de andere componisten uit zijn tijd? Waarom liet hij de solist niet opboksen tegen de rest van het orkest, maar liet hij ze elkaar aanvullen, op zoek naar de perfecte samenklank? Het orkest zit hier niet in een dienende rol, maar is als een sous-chef die de thema’s en motieven als ingrediënten aanreikt, om dan samen een heerlijk stoofpotje te maken. Het voelt in zijn opzet aan als een groots kamermuziekwerk, waarbij alle instrumenten op gelijke voet staan.

Arnold Schönberg voelde diezelfde symfonische rijkheid toen hij in 1937 het ‘Eerste pianokwartet’ van Brahms orkestreerde. Geen nostalgische hommage, maar een analytische daad: hij wilde hoorbaar maken wat volgens hem in de partituur verscholen lag – Schönberg noemde het niet voor niets “Brahms’ ‘Vijfde symfonie’”. Geen noot verandert hij aan Brahms’ structuur, maar wel voegt hij extra klanken toe: uitgebreide blazerspartijen, rijk slagwerk. (Maar wat zou Brahms’ gedacht hebben van de tromboneglissando’s en hevige cymbaalcrashes in het laatste deel?) Hij verdeelt de motieven over verschillende instrumenten, en maakt zo hun onderlinge samenhang nog duidelijker. 

De twee werken vullen elkaar vanavond perfect aan – het concerto dat voelt als een kamermuziekwerk, en het pianokwartet dat symfonische proporties heeft gekregen. Samen tonen ze dat Brahms terecht bij die drie grote B’s hoort.

Sven Sabbe is musicoloog en content manager bij Muziekcentrum De Bijloke

Zet mij op de wachtlijst

Wenslijstje

Toegevoegd:

Naar wenslijstje

Inschrijven voor onze nieuwsbrief