De sonate gedeconstrueerd

Een bijdrage van Sven Sabbe

Vanavond weerklinken in onze Concertzaal vier iconische pianowerken, elk op hun manier op zoek naar een balans tussen vorm en verbeelding, tussen structuur en vrijheid. Ze staan niet in afzondering naast elkaar – dat zouden ze mogen, als mijlpalen uit het repertoire -, maar gaan ook met elkaar in dialoog rond thema’s als fantasie, introspectie en de grenzen van de sonatevorm.

Beethoven opent het bal met zijn ‘Pianosonate nr. 14’, beter gekend als de “Mondscheinsonate”. Een werk dat tegelijkertijd vertrouwd en vernieuwend klinkt. Met de ondertitel “quasi una fantasia” gaf Beethoven zelf aan dat hij afstand neemt van de klassieke sonatevorm. Het eerste deel, met zijn bijna hypnotische karakter, zet meteen een introspectieve toon. In plaats van een dramatisch openingsstatement kiest Beethoven voor een ingehouden, meditatieve sfeer. De spanning wordt pas geleidelijk opgebouwd, om in het virtuoze slotdeel In de gloria-gewijs tot ontploffing te komen.

Deze omkering van verwachtingen – traag naar snel, introvert naar explosief – vormt de blauwdruk voor de romantische verbeelding die ook Robert Schumann centraal stelt in zijn ‘Fantasie in C’. Geschreven in een periode van intense emotionele onrust en verlangen – onder meer naar Clara Wieck – is dit werk doordrenkt van een uitgesproken persoonlijke expressie. Hoewel de titel een vrije vorm suggereert, blijft Schumann spelen met de contouren van de sonate. Het eerste deel is groots en onstuimig, vol contrasten en emotionele pieken. Het tweede deel heeft een meer uitgesproken, bijna heroïsch karakter, terwijl het derde deel zich terugtrekt in een sfeer van verstilling en intimiteit. Schumann bouwt voort op Beethovens idee van de “fantasie”, maar vult die in met een uitgesproken subjectieve en poëtische stem.

Die lijn wordt verder doorgetrokken in Skrjabins ‘Pianosonate nr. 2’, de “Sonate-fantasie”. Het onderscheid tussen sonate en fantasie vervaagt nog verder. Skrjabin, die aanvankelijk sterk door Chopin werd beïnvloed, ontwikkelt in dit werk een eigen klankwereld waarin sfeer en kleur centraal staan. Het eerste deel ademt een dromerige, bijna impressionistische sfeer, vaak geassocieerd met maanlicht op zee – een subtiele echo van Beethovens openingswerk. Het tweede deel contrasteert fel met een stormachtige energie en virtuoze intensiteit. Net als bij Schumann lijkt de vorm hier organisch te groeien, eerder gestuurd door muzikale beelden dan door formele regels.

Tot slot: Chopins ‘Pianosonate nr. 2’, een werk dat de sonatevorm tot op het bot bevraagt. De beroemde ‘Marche funèbre’ vormt het emotionele centrum van de sonate en werpt zijn schaduw over het geheel. De omliggende delen lijken soms fragmentarisch, alsof ze verschillende werelden vertegenwoordigen die niet volledig samensmelten. Toch ontstaat er een intense dramatische lijn, die culmineert in het raadselachtige, bijna ongrijpbare slotdeel. Waar Beethoven de deur opent en Schumann en Skrjabin de ruimte verkennen, lijkt Chopin de fundamenten zelf in vraag te stellen.

Sven Sabbe is musicoloog en content manager bij Muziekcentrum De Bijloke

Zet mij op de wachtlijst

Wenslijstje

Toegevoegd:

Naar wenslijstje

Inschrijven voor onze nieuwsbrief