Het is ook altijd hetzelfde liedje bij Tsjajkovski. Letterlijk dan, want de vier bewegingen van zijn existentieel geladen 'Vijfde symfonie' delen eenzelfde weliswaar steeds veranderend thema (het motto), een beetje als een operapersonage dat elke akte volkomen anders gemutst de bühne opwandelt. In het begin verschijnt het vertwijfeld dubbend, vervolgens verslagen wanhopend, daarna inzicht verwervend en ten slotte als herboren juichend. Samen geeft dat een narratief dat zich laat samenvatten als ‘de triomf na gefnuikte hartstocht’ of ‘de redding van het wankelend geloof’ of ‘de luisteraar op zoek naar betekenis in een abstract stuk muziek’. Schrap gerust wat niet past. 

Régis Dragonetti

I. Andante – Allegro con anima – Molto più tranquillo

Het fameuze motto waarvan hierboven sprake wordt voor uw gemak ampel ten gehore gesteld in de trage inleiding van het eerste deel. De klarinetten spelen twee trapsgewijs stijgende frases in mi klein, gevolgd door twee identieke, neergaande lijnen, die Tsjajkovski telkens anders harmoniseert. Pas na een minuut of twee gaat het gordijn open en schiet het sonate-allegro echt in gang. Het marsachtig karakter van het eerste ‘echte’ thema bindt er de strijd aan met het springerige tweede en komt na een zinderend mantel- en degenspel tot een passioneel hoogtepunt. Als het waar is dat Tsjajkovski nooit een noot schreef die hij niet met zijn ziel had doorvoeld (dixit hijzelf), mogen we daarin zonder blozen een conflict van gevoelens lezen. Vooralsnog zonder uitkomst. De coda eindigt in een gitzwarte waas van strijkers, fagot en pauken.

II. Andante cantabile, con alcuna licenza

Beeld je eens in: je hebt net een dieptreurige, maar heerlijke akkoordenprogressie voor strijkers geschreven. En het kan nog beter, want je hebt een even dieptreurige doch heerlijke melodie in je hoofd. Aan welk instrument vertrouw je die toe? De nasale hobo? Nee. De luchtige fluit? Ook niet. Tsjajkovski kiest voor de hoorn. Het afgeronde geluid van deze zachtste der koperblazers roept een soort verte op. Na de onrust van het voorgaande deel klinkt die als een herinnering aan een minder gecompliceerde tijd. Waarom ook niet? Het publiek mag toch ook zijn voordeel doen met de aanwijzing uit de titel. We interpreteren daarom ‘con alcuna licenza’ (met enige vrijheid). De ongedwongen mijmerij is trouwens geen lang leven beschoren. Plots is daar opnieuw het motto van het begin, deze keer in een krachtige koperfanfare. Het noodlottige gebeuk breekt de rust op en doet de dromerijen van de aanvang uiteenspatten. 

III. Valse. Allegro moderato 

De wals wordt gekenmerkt door een snelle driekwartsmaat. Zeg tweemaal boem-tak-tak na elkaar en je hebt al het idee dat er ergens goedgeklede lui een balzaal betreden. In een gematigd tempo zoals hier heeft de wals altijd iets deftigs. In de handen van een matig componist krijg je daardoor snel iets saais. Niet zo bij Tsjajkovski. Met vertragingen, tegentijden, tegendraadse nootgroepering en accenten tuigt hij het dode muzikaal skelet op tot een levendig stuk muziek. Helemaal op het einde steekt het ons bekende motto opnieuw de kop op, het is te zeggen, een rijpere versie die zich losmaakt uit het muzikale kluwen. Hoorden we voorheen tranen en tandengeknars, dan spreekt hier eerder een matuur evenwicht: de klarinetten a due in hun diepste chalumeauregister, ondersteund door een koppel fagotten. De dalende lijnen doorkruisen vol zelfvertrouwen de regelmaat van de wals. Het gebaar leest als een subtiel zich onttrekken  aan sociale dogma’s, het gedrag kortom van iemand die voortaan zijn eigen tempo bepaalt.

IV. Finale: Andante maestoso – Allegro vivace – Meno mosso

De overwinning op alle moeilijkheden wordt duchtig gevierd in de finale. De metamorfose van het motto is nu compleet. Geen geprevel meer in mi klein, maar gejubel in mi groot. Nu ja, muzikaal kan je natuurlijk niet twaalf minuten hoera roepen. Net als het andere hoekdeel volgt na de inleiding een sonatevorm. Een flinke paukenroffel leidt het deel  in. Toch speelt hier niet eenzelfde dramatische spanning. Hoewel de thema’s zowel van snit als toonaard verschillen (hoekig-onstuimig mi klein versus elegant-vrolijk re groot) wordt de tegenstrijd ten dele opgeheven ten voordele van de algemene vaart die het sluitstuk van een symfonie nu eenmaal vaak kenmerkt. Het motto kan daardoor echter uitgroeien tot de ster van de show. Telkenmale lijkt het de borst hoger op te steken, tot niemand zich nog de schuchtere aanvangsnoten herinnert waarmee het allemaal begon.

Deze tekst verscheen oorspronkelijk in het Symfozine van Symfonieorkest Vlaanderen.

Put me on the waiting list

Wish list

Added:

To wishlist

Subscribe to the newsletter