Ode aan Benjamin Britten
Een bijdrage van Ildikó Szabó
Ik heb altijd al een bijzondere band gevoeld met Benjamin Britten – zowel als uitvoerend musicus als binnen mijn composities. Wellicht bestaat er tot op de dag van vandaag geen ontroerender inleiding op Franz Schuberts “Arpeggione”-sonate dan die van Britten. Het heeft ongetwijfeld iets te maken met de fantastische mensen van wie ik les kreeg: leerlingen van (en leerlingen van leerlingen van) de legendarische Russische cellist Mstislav Rostropovich. Brittens vriendschap met en inspiratie door hem komt – gelukkig voor ons – tot uiting in een rijk en gevarieerd cellorepertoire.
Voor het programma van vanavond koos ik de eerste en derde solosuites, respectievelijk opus 72 uit 1964 en opus 87 uit 1971, vanwege hun structurele gelijkenis: ze bestaan beiden uit negen delen. Beide suites bevatten daarnaast ook een ‘Marcia’ én een ‘Moto perpetuo’. Deze typisch ‘Britteniaanse’ delen zijn al terug te vinden in de ‘Sonate in C’, opus 65, het vroegste werk van de samenwerking tussen componist en cellist. De composities delen ook een quasi-vocale benadering van bepaalde delen, een benadrukking van Brittens gevoeligheid voor de menselijke stem en het lied als genre. Het ‘Lamento’ in ‘Suite nr. 1’, het ‘Recitativo’ en de ‘Dialogo’ in ‘Suite nr. 3’, en de ‘Dialogo’ en de ‘Elegia’ in de ‘Sonate in C’ bieden de cello de kans om zich te profileren als zowel een lyrisch als een theatraal instrument.
Britten was een fervent bewonderaar van Johann Sebastian Bach en een grondige kenner van de muziekgeschiedenis, wat duidelijk tot uiting komt in de afzonderlijke delen. Beide solosuites bevatten een ‘Fuga’, en de bovengenoemde ‘Elegia’ fungeert ook als een Bachiaanse ‘Passacaglia’. Maar als het om Britten gaat, mogen we de humor niet vergeten, zoals geïllustreerd door het ‘Scherzo–Pizzicato’-deel in de ‘Sonate’. Een ander uitsluitend getokkeld deel is de ‘Serenata’ in de eerste ‘Suite’, die wellicht een verwijzing is naar de ‘Cellosonate’ van Claude Debussy, en tevens een eerbetoon aan Béla Bartók, hoewel de stijl verre van barbaro is.
Het ‘Night Piece’ werd geschreven als verplicht stuk voor de Leeds Piano Competition in 1963 (wat een geluk voor de deelnemers!). In tegenstelling tot virtuoze showstukken daagt dit ‘Notturno’ uitvoerders uit om emotionele complexiteit te verkennen in plaats van louter technische briljantheid te tonen.
Ik hoop dat dit programma Brittens genialiteit weerspiegelt. Hij had het unieke vermogen om traditie te vermengen met innovatie en muzikale diepgang. Ten allen tijde en werkelijk uniek en innemend schouwspel, zowel voor uitvoerders als voor het publiek.