‘Het was alsof Vivaldi en ik aan een nieuw stuk schreven’
Anna Meredith herwerkt ‘Le quattro stagioni’
Van Tiny Desk Concert tot klassieke concertzaal, van popfestival tot elektronischemuziekinstallatie: Anna Meredith kan het allemaal. In De Bijloke waagt ze zich samen met B’Rock Orchestra aan een dialoog met de ‘Vier seizoenen’. ‘Mijn doel? Kan ik iets schrijven dat naast Vivaldi overeind blijft?’
Bram Van Haelter
Dat Anna Meredith niet in hokjes denkt, is een understatement. Als componist, producer en performer voert ze een radicaal opengrenzenbeleid. Haar oeuvre telt evenveel orkestrale en elektronische werken als experimentele installaties, popachtige studioalbums en fi lm- en televisiescores. En de Britse bedient er zowel klassieke concertzalen als popfestivals mee. Haar werk wordt omschreven als ongrijpbaar en genre-defy ing, en smeedt klassieke, elektronische en populaire invloeden om tot een pulserend geheel, waarmee ze keer op keer weet te verrassen.
Merediths pad is niet dat van een enfant terrible dat louter provocatie zoekt, maar van een kunstenaar die met onbevangen nieuwsgierigheid de conventies van haar vak uitdaagt: met werk dat even enthousiast wordt ontvangen door klassiekemuziekliefh ebbers als door een breder publiek dat niet wil kiezen tussen hoofd en hart. Haar Tiny Desk Concert koppelt verfi jnde compositie aan extatische intensiteit – een YouTube-tip! – en is inmiddels legendarisch. NPR’s Bob Boilen noemde het zelfs “de meest opwindende van alle zevenhonderd edities waar hij getuige van was”.
Binnenkort staat Meredith in De Bijloke met ‘Anno’, haar eigenzinnige dialoog met Vivaldi’s ‘Vier seizoenen’. Geen bewerking in de klassieke zin, wel een werk waarin het lijkt alsof beiden samen aan een muzikaal jaar hebben geschreven – een compositie uit een tureluurs gedraaide tijdmachine.
“Het idee om rond Vivaldi te werken kwam van violist Jonathan Morton, artistiek directeur van het Schotse strijkorkest Scottish Ensemble. Hij hoorde een verband in de manier waarop Vivaldi en ik componeren. Eerst schrok ik daarvan. Maar nu begrijp ik beter wat hij bedoelde: korte bogen met een heel eigen identiteit, veel ritmische energie, veel drive.” “Toen ik de opdracht kreeg, wist ik meteen dat ik Vivaldi’s partituur niet zomaar wou herwerken. Uiteindelijk heb ik het benaderd alsof Vivaldi en ik samen aan een nieuw stuk schreven. Niet elk apart ‘een stukje’, maar echt als samenwerkende partners.”
Dat stuk behoort tot het collectieve geheugen. Het is zó bekend dat het bijna banaal aandoet: lift- of wachttoonmuziek. Hoe werk je met muziek die zo alomtegenwoordig is?
“Daar zat wel een stukje angst in: hoe ga je om met iets wat we allemaal kennen, en tegelijk – op een soort gekke manier – niet écht kennen? Ik merkte bijvoorbeeld dat veel langzame delen eigenlijk nieuw voor mij waren. Er zijn passages die veel mensen niet zomaar in het hoofd hebben, terwijl die voor mij juist heel waardevol bleken. Ik heb daarom die herkenbaarheid als centraal thema gekozen. Ik selecteerde delen van Vivaldi die ik wilde gebruiken, en schreef mijn eigen muziek zó dat ze aan beide kanten goed kon passen. Als ik stilte wilde na Vivaldi’s energie, dan bouwde ik daarnaartoe. Of als ik een extra uitbarsting wilde, dan schreef ik een beweging die die geest oppikt.”
Je zei eerder dat je Vivaldi niet hebt herschreven of bewerkt, maar “gehercontextualiseerd”. Wat betekent dat concreet?
“Ik selecteerde één of twee delen uit elk seizoen, en schreef zelf aanvullingen: soms eigen seizoensdelen, soms overgangen. Bij Vivaldi gaat het vaak sneltraag- snel, maar ik kan dat patroon doorbreken, zodat je ineens energie op energie krijgt, of net een andere ademruimte. Op die manier plaats je die beroemde muziek in een andere context: je hoort dezelfde noten, maar je ervaart ze anders omdat ze tegendraads gepresenteerd wordt.”
“Belangrijk was ook: het materiaal dat ik schrijf moet op zichzelf sterk zijn, met een duidelijke identiteit. Ik wou vermijden dat het voelt als ‘een stukje Meredith’ dat passief wordt voortgetrokken, gevolgd door ‘een sterk stukje Vivaldi’. Het moest gelijkwaardig aanvoelen. In zekere zin was dat een benchmark voor mezelf: kan ik iets schrijven dat naast Vivaldi overeind blijft?”
Stel dat een toekomstige componist jouw muziek zou ‘hercontextualiseren’, zoals jij met Vivaldi deed: welke aspecten hoop je dat die zou uitlichten?
“Dat is een lastige vraag, want een deel van de fun schuilt net in het loslaten. Je hebt niet altijd controle over hoe je werk wordt uitgevoerd, met welke instrumenten, in welke context, met welke tempi. Als iemand het hercontextualiseert, hoop ik dat die er met hetzelfde respect mee omgaat als ik met Vivaldi. Misschien maakt iemand ooit een derde partnerstuk: een extra stem in het gesprek, zeg maar. Dat zou heerlijk zijn.”
In dit werk breng je barokke strijkers en elektronica samen. Dat lijkt me een delicate evenwichtsoefening.
“Dat was interessant omdat ‘Anno’ meestal met moderne strijkers wordt uitgevoerd. Maar toen ik vorig jaar intens met het Gentse barokensemble B’Rock begon te werken, merkte ik hoeveel er mogelijk is. Er zitten een ruwheid en energie in het geluid van historische instrumenten die fantastisch zijn. Tegelijk moesten we de elektronica daaraan aanpassen: andere toonhoogte, andere volumes. Maar ik denk dat dat prima gelukt is. De B’Rock-muzikanten zijn overigens briljant, ze gingen die uitdaging met veel plezier aan.”
Jouw muziek wordt weleens ‘maximalistisch’ genoemd. Wat maakt maximalisme voor jou emotioneel boeiend, en niet alleen sonisch indrukwekkend?
“Zelfs als luisteraar ben ik op zoek naar dingen die eruit springen. We leven in zoveel lawaai, zoveel afleiding, dat het soms een groots opgezette ervaring vraagt om écht impact te hebben. ‘Maximaal’ betekent voor mij trouwens niet noodzakelijk luid. Voor mij gaat het om een soort moed: durven kiezen, durven doorduwen, iets onmiskenbaar laten zíjn. Lef vraagt aandacht, en net daardoor kan ik er makkelijker in opgaan dan bij muziek waar ik heel hard moet werken om mijn weg te vinden.”
In jouw werk vervagen identiteiten, genres, tijdslagen. Is dat een bewuste tactiek, of gewoon jouw persoonlijke esthetiek?
“Ik denk eigenlijk nooit in genres als ik muziek schrijf. Ik probeer ook niet te veel aan referentiepunten te denken, zeker niet aan de muziek van anderen. Bij ‘Anno’ móést ik natuurlijk rekening houden met Vivaldi, maar in mijn eigen werk denk ik eerder: wat wil ik dat de muziek doet? Welke vorm moet ze aannemen? Welke energie moet ze hebben? Ik begin vaak met iets kleins, een miniem muzikaal idee, vanwaaruit ik een soort spanning probeer op te bouwen die toewerkt naar een volgend idee.”
Je bent niet de enige die genres en tijdsvakken door elkaar weeft: de Spaanse popster Rosalía topte er zowat alle eindejaarslijstjes mee. Jij volgt dat pad eigenlijk al je hele carrière.
“Ja, maar ik zie dat niet als een groot statement. Ik ga gewoon graag naar muziek in verschillende contexten. Ik heb me nooit alleen een ‘concertzaalcomponist’ gevoeld. Ik werk met film, ik heb een groep, ik treed op, ik maak albums.” “Voor mij is de muziek in essentie dezelfde. Ze wordt alleen in andere contexten gespeeld. Sommige stukken voeren anderen uit in concertzalen; andere speel ik met mijn band op popfestivals. Dat helpt je ook. Je concentreert je op het materiaal, niet op de franje: niet op de codes van de zaal, het klappen, het zitten, de verlichting. Die dingen kunnen mensen heel erg bepalen in hun concertervaring, maar voor mij zijn ze minder belangrijk dan de muziek zelf.”
Tot slot: je werkte al samen met modehuizen en zelfs met een ziekenhuis-scaneenheid. Heb je nog dromen op dat gebied?
“Ik hou enorm van installaties: werken die om één groot idee draaien. Ik maakte bijvoorbeeld muziek voor liften, en voor botsauto’s. Daar vertrekt alles vanuit de fysieke ervaring. Het lijkt dan wel alsof het muzikale idee zichzelf schrijft, omdat het zo duidelijk is wat de ervaring kan versterken. Ik denk dat er nog veel van dat soort ideeën zullen komen. Uitdagingen zijn vaak verrassend als ze opduiken, maar ik ga ze heel graag aan.”