Cappella Neapolitana

Napolitaanse Johannespassie
zo 25
maart
  • zo 25 mrt
    15:00 - 17:10
    Concertzaal
    Pauze 15:45 - Eindtijd 17:10
    Geweest

Programma

Inleiding om 14:15 (Kraakhuis)

 

Alessandro Scarlatti | Stabat Mater, Napels, ca. 1723/24

Gaetano Veneziano | La Passione secondo Giovanni (Johannespassie), Napels, ca. 1685

In de passietijd zijn overal te lande de twee bekendste passies van Johann Sebastian Bach te horen. Dit seizoen gooien we het over een andere boeg en laten we u kennismaken met passiemuziek uit het barokke Napels.

Roberta Invernizzi en Sara Mingardo: stersolisten

De Cappella Neapolitana (vroegere naam : Cappella della Pietà de‘ Turchini) haalde al talrijke vergeten partituren van Napolitaanse barokcomponisten van onder het stof, en is dus de grote specialist ter zake.

 

Naast Venetië en Rome hoorde Napels tot de belangrijkste muzikale centra van Italië, met als meest gekende componist Alessandro Scarlatti. Van hem horen we het Stabat Mater, de klaagzang van Maria aan het kruis, met stersolisten Roberta Invernizzi en Sara Mingardo. De Johannespassie van Gaetano Veneziano is een echte ontdekking van dirigent Antonio Florio, te horen op de laatste nieuwe CD van zijn ensemble: de Cappella Neapolitana een erg modern klinkend meesterwerk van Scarlatti’s opvolger als maestro di cappella aan het koninklijke hof.

Toon je menselijke kant meer dan je kritische kant. Je zal meer genieten.
(Scarlatti)

Uitvoerders

Cappella Neapolitana

Antonio Florio, muzikale leiding

Ghislieri Choir

Roberta Invernizzi, sopraan

Sara Mingardo, mezzo

Raffaele Pè, Evangelista

Luca Cervoni, Christus

Marco Bussi, Pilatus

Programmatoelichting

De treurende moeder

Wie eenmaal Rogier van der Weydens Kruisafneming zag, vergeet nooit meer het grauwe gezicht van de moeder van de gekruisigde Christus; haar krachteloze lichaam, haar tranen van kristal. Van in de middeleeuwen is de treurende Maria sterk aanwezig in de katholieke (volks)devotie, later eveneens in de ‘officiële’ liturgie. Maar ook auteurs, dichters, kunstenaars en componisten hebben zich doorheen de eeuwen aangesproken gevoeld door het aangrijpende tafereel.

 

Zo is het precies deze scène die wordt geschetst in het gedicht Stabat mater dolorosa. De tekst zou teruggaan tot de 13de eeuw, werd vanaf de late 15de eeuw als sequens gebruikt en kreeg een gregoriaanse melodie toegewezen die ongeveer uit diezelfde periode stamt. Sindsdien hebben talloze componisten de tekst en muziek van deze hoogstpersoonlijke, maar tegelijk universele weeklacht als uitgangspunt voor hun composities gebruikt: van John Browne, Josquin des Prez en Orlandus Lassus over Giovanni Battista Pergolesi en Joseph Haydn, tot Giuseppe Verdi en Arvo Pärt.
Opvallend aan de barokke Stabat Mater-zettingen - zeker diegene uit de heiligste aller steden, Rome - is hun voorkeur voor een stilistisch idioom in de lijn van de stile antico, zij het uiteraard zonder de verworvenheden van de seconda pratica volledig weg te cijferen: een verhoogde tekstexpressie, gediend door harmonie, melodie, tempo, ritmiek en schriftuur, bracht de dramatische inhoud van het gedicht meer dan ooit tot leven voor de ogen en in de harten van de gelovige toehoorder.

 

Al modo di Scarlatti

Zo ook de versie van Alessandro Scarlatti – oervader van een legendarische muzikale familie. Scarlatti werd op 2 mei 1660 in Palermo geboren en studeerde mogelijk bij Giacomo Carissimi in Rome. Zijn eerste post was die van kapelmeester van het huisorkest van kardinaal Pietro Ottoboni en koorleider aan de Santa Maria Maggiore. Later werd hij kapelmeester en operacomponist in de hofhouding van de naar Rome uitgeweken koningin/muziekfanaat Christina van Zweden. In 1689 vinden we hem aan het hoofd van de Santa Maria di Loreto en in 1694 aan de hofkapel in Napels. Ondanks omzwervingen naar Venetië, Urbino en Rome, was Napels de stad waar Scarlatti in oktober 1725 zou sterven – bewonderd door koningen en edellieden, maar verarmd en met schulden beladen.


Scarlatti geldt als een van de belangrijkste operacomponisten van de barok en als grondlegger van de Napolitaanse opera. Hij was een synthesefiguur, die de zeventiende-eeuwse operatraditie naar een laatste hoogtepunt bracht en er tegelijk nieuwe elementen in verwerkte; zo maakte hij al gebruik van de ‘Da capo-aria’ - die later de norm zou worden - , legde hij de basis voor de ‘buffo-finale’ en ontwikkelde hij de Italiaanse ouverture tot een standaard vorm in drie delen. Naast opera’s schreef Scarlatti vooral cantates en instrumentale werken, maar zijn oeuvre telt ook madrigalen, missen en serenades.


Op het vlak van stijl en techniek draagt Scarlatti’s muziek een herkenbare signatuur: volbloed-barok in haar retorische kwaliteiten, dramatische kracht en intense expressiviteit, maar tegelijkertijd verrassend modern door de ietwat ‘impulsieve’ compositiestijl. Scarlatti goochelt met emoties, sferen en kleuren, en speelt met verwachtingspatronen en conventies. Het resultaat? Muziek die stoelt op compositietechnisch vakmanschap, uitblinkt in vindingrijkheid en een immer beklijvende luisterervaring oplevert.

 

Podiumbeest met finesse

Ondanks zijn liefde voor breedgeschouderde operacomposities toont Scarlatti dat met dezelfde basisingrediënten ook pakkende muziek van bescheidener proporties kan worden gebrouwen. Zo ook in zijn toonzetting van het Stabat Mater voor sopraan, alt, twee violen en basso continuo. Zijn ervaring als operacomponist in het ontvouwen van een verhaal, het schetsen van personages en het verklanken van emotionele ontwikkelingen, tekent ook deze religieuze compositie. Het uitvoerderscollectief en de atmosfeer sluiten dan weer nauw aan bij de wereldlijke cantate of serenata.


De exacte ontstaansdatum en –context van Scarlatti’s Stabat Mater zijn niet bekend, maar men vermoedt dat het werk dateert van ca. 1724 en geschreven werd op vraag van de Confraternita dei Cavalieri della Vergine dei Dolori di Napoli – een mariale broederschap. Diezelfde broederschap zou overigens tien jaar later aan de basis liggen van het mythische Stabat Mater van Giovanni Battista Pergolesi, dat heel wat gelijkenissen vertoont met (en zelfs citeert uit) Scarlatti’s partituur.
Die pronkt met een schrijfwijze die geen poging doet om haar affiniteit met de operastijl te verhullen, maar tegelijk een meer ingetogen lyriek vooronderstelt. In diverse opzichten kan het Stabat Mater tot de meest innovatieve werken van de maestro uit Napels worden gerekend. Opvallend is met name het overvloedige gebruik van de ‘appoggiatura’: een retorische figuur die in Scarlatti’s vocale oeuvre zelden voorkomt, en vooral bij de volgende generatie componisten (onder wie Pergolesi) erg in de smaak zou vallen. Bovendien wordt de basso continuogroep hier eerder ingezet als harmonisch fundament dan als partner in het contrapunt: een rol die ze in Scarlatti’s opera’s en cantates doorgaans wel nog krijgt toebemeten.


De beroemde verzen over de wenende moeder worden verklankt in 18 secties, die op hun beurt in vier sets - telkens besloten door een vocaal duet - kunnen worden gegroepeerd. Elk van de 18 nummers wordt als een onafhankelijke muzikale entiteit getoonzet - doorgaans als een aria maar in sommige gevallen (Fac me cruce, Fac ut portem, Fac me plagis) in een meer recitativische vorm. Daarmee gaat Scarlatti in tegen een compositiepraktijk die vaak wordt toegepast in meerstemmige zettingen van het Stabat Mater, en waarbij de diverse secties worden verwerkt tot een doorlopend relaas of een strofische structuur met refreinelement.


Ondanks het veelvuldige gebruik van de tweeledige aria-vorm met instrumentaal ritornello (refrein), slaagt Scarlatti erin om opmerkelijk veel variatie in de ariaschriftuur te brengen: de lengte van de ariadelen, de onderlinge verhouding van tonaliteiten, en de melodische relatie tussen stemmen en instrumenten (nu eens wordt uit hetzelfde vaatje getapt, dan weer krijgen ze elk hun eigen materiaal te verwerken) wisselen voortdurend. De duetten herbergen knappe demonstraties van consequente imitatie (het betoverende Amen!) en blinken – net als de solo-aria’s – uit in woord/toonschildering: chromatiek en melismatiek zetten significante passages in de verf, en de affectwerking wordt door zowel de tekstbehandeling als de muzikale structuur gestut. De krachtige ritmiek, ten slotte, zorgt voor een genoegzame eb-en-vloed-dynamiek die schippert tussen horten en huppelen, flaneren en schrijden.

 

Alessandro versus Gaetano

Scarlatti’s  Stabat Mater  vormt de gedroomde opstap naar een kennismaking met Gaetano Veneziano’s Johannespassie. Tot zeer recent gold Scarlatti trouwens als de enige componist uit barok Italië die deze evangelietekst op muziek heeft gezet. Maar enkele jaren terug ontdekte Antonio Florio, dirigent van Capella Neapolitana, een Johannespassie in het oeuvre van Veneziano – een componist waarvan hij eerder al het oratorium La Santissima Trinità en de Leçons de Ténèbres op plaat zette.
Gaetano Veneziano (1665-1716), geboren in Bisceglie nabij Bari, kwam als tienjarige aan in Napels, waar hij muziekstudies aanvatte aan het conservatorium S Maria di Loreto. Daar werd hij leerling van de gerenommeerde meester Francesco Provenzale. Terwijl hij zijn muziekcarrière startte als kopiist voor Provenzale, verwierf Veneziano al gauw naam voor zichzelf en werd aan de Spaanse hofkapel in Napels achtereenvolgens aangesteld tot organist, kapelaan en - na het onverwachte vertrek van Alessandro Scarlatti in 1703 - kapelmeester. Hij behield de positie slechts van 1704 tot 1707, toen Oostenrijk Napels heroverde op Spanje en alle aanstellingen aan het hof terstond werden opgeheven. Veneziano was intussen gelukkig ook docent geworden aan S Maria di Loreto. Ondanks enkele ups en downs (waaronder een klacht van studenten die hem een gebrek aan aandacht verweten), zou Veneziano de positie behouden tot zijn dood in 1716.
Veneziano’s compositorische oeuvre is nagenoeg volledig binnen het religieuze repertoire te situeren. Hoewel er enige onduidelijkheid bestaat over het precieze aantal werken van zijn hand, wordt zijn cataloog momenteel op 120 composities geschat, waarvan een groot deel in manuscripten in de Filippini-bibliotheek in Napels wordt bewaard. Daaronder: missen en motetten, kantieken en hymnen, maar ook solocantates, lectiones voor de nocturne en passiemuziek. Samen vormen ze een schitterende illustratie van de stilistische verschuivingen in de Napolitaanse kerkmuziek van het laatste kwart van de 17de eeuw.

 

La Passione secondo Giovanni

La Passione secondo Giovanni of Passio del Venerdi santo (Passie voor Goede Vrijdag) zou Veneziano’s muzikale antwoord op de Johannespassie van Scarlatti zijn geweest. Het werk kan op het vlak van kwaliteit zeker met dat van Scarlatti wedijveren, en biedt een succesvolle mix van oudere en moderne stijlelementen.
In deze sfeervolle, extraverte interpretatie van de bijbeltekst neemt de Evangelist - hier vertolkt door contratenor Raffaele Pe - een centrale plaats in. Hij laat de componist toe om - net als in de zetting van Scarlatti - het narratief te ontvouwen als een aaneengesloten relaas. De uitgewerkte recitatieven van de Evangelist worden doorbroken door tussenkomsten van Christus, Pontius Pilatus, enkele nevenpersonages en het koor, dat gestalte geeft aan ‘het volk’.


Anders dan Scarlatti, die een meer verinnerlijkte, meditatieve versie componeerde, gaat Veneziano voluit voor drama en theater met een partituur vol verrassende wendingen, in een aantrekkelijke blend van kleuren en harmonieën. De heldere, energieke, dansante zetting zal vele 21ste-eeuwse oren verbazen: geen angstig, somber gevecht tegen de duisternis hier, maar muziek met forse tred die overtuigd naar de verlossing en verrijzenis toesnelt. Het resultaat is een knap staaltje van evocatie, coherentie, balans en expressie.
 

Met de opname van deze passie vierde Antonio Florio vorig jaar zijn 30-jarige muziekcarrière, en meteen ook het debuut van zijn Cappella Neapolitana. De missing link tussen beiden? De ensembles Cappella della Pietà de’ Turchini en I Turchini die tot voor kort wereldwijd furore maakten met hun baanbrekende werk binnen het 17de- en 18de-eeuwse Napolitaanse repertoire. Met de opname van deze Passione secondo Giovanni oogstte Cappella Neapolitana lof om haar technisch volmaakte, geëngageerde, goed onderbouwde, helder gearticuleerde en emotioneel oprechte vertolking. Dat doet het beste vermoeden voor de live-uitvoering van dit herontdekte pareltje, waarin de musici ceremoniemeesters zijn van een bijzonder huwelijk tussen drama en raffinement.

Tekst: Sofie Taes
 

Privacy en Cookies

Deze website gebruikt cookies om het gebruik van de webshop mogelijk te maken. U kunt cookies uitzetten, maar bepaalde delen van de website zullen niet langer werken. Muziekcentrum De Bijloke verwerkt en gebruikt persoonsgegevens bij ticketaankopen. Alle info in onze privacyverklaring: debijloke.be/privacy

Meer informatie