Big bang van splinters

Nicolas Hodges & Basel Sinfonietta
do 1 december 20:00 - 21:55
Concertzaal

Programma

György Ligeti
San Francisco Polyphony

Mauro Hertig
Losing the Red Queen’s Race

Julian Anderson
The Stations of the Sun

Simon Steen-Andersen
Pianoconcerto (voor piano, sampler, video & orkest)
Een concert als een ruwe diamant: Basel Sinfonietta schuurt, botst en wrijft tot het blinkt
Uit de botsing van ideeën ontstaat het licht, zo luidt het. En botsen doet dit concert. Hoe klinkt een vleugelpiano wanneer hij van 7 meter hoogte op een betonnen vloer te pletter stort? Met die big bang van splinters en ongepolijst geluid begint het ‘Pianoconcerto’ van Simon Steen-Andersen. In ‘San Francisco Polyphony’ maakt Ligeti dan weer glansrijk korte metten met zijn eigen schrijfwijze voor orkest. Mauro Hertig sluit af met nieuw werk waarin de paradoxen van het Wonderland van Alice niet ver weg zijn. Jawel, het mag al eens ongemakkelijk schuren.

Simon-Steen Andersen en Ligeti spreken tot de verbeelding

Op donderdag 1 december palmen Simon Steen-Andersen, Nicolas Hodges en Basel Sinfonietta onze Concertzaal in. Ze brengen ‘San Francisco Polyphony’ (Ligeti), ‘Losing the Red Queen’s Race’ (Hertig) en S…

Uitvoerders

Nicolas Hodges, piano

Simon Steen-Andersen, electronica & video

Basel Sinfonietta
Baldur Brönnimann, dirigent

Programmatoelichting

Tekst: Melissa Portaels

 

Basel Sinfonietta is een gerenommeerd symfonisch orkest met topmuzikanten die onberispelijk spelen. Maar vanavond mag je hen voor één keer op een foutje betrappen. Simpelweg omdat de opdracht die de in New York gevestigde Zwitserse componist Mauro Hertig hen voorlegt, niet feilloos uit te voeren is. Neemt Hertig een loopje met het orkest?

 

Al zijn leven lang houdt ‘luisteren’, en hoe die ervaring voor iedereen verschillend is, Mauro Hertig bezig. Geïnspireerd door imitatiespelletjes zoals ‘telefoontje’, laat hij muzikanten het luisteren herontdekken. In 'Losing the Red Queen’s Race' deelt Hertig het orkest op per instrumentengroep. Voor iedere groep is er een leider die van de partituur speelt, terwijl de anderen dat geblinddoekt op gehoor doen. In elk van de vijf delen van het orkestwerk komt een andere imitatietechniek aan bod. De imitators proberen de klank van hun voorganger ofwel onmiddellijk te reproduceren (direct imitation), ofwel pas na een langere frase op basis van wat ze zich herinneren (imitation from memory). Het startmateriaal kan doorgegeven worden van muzikant op muzikant of van leider op groep. Onvermijdelijk sluipen er onjuistheden in de imitaties, en vaak zullen de muzikanten compromissen moeten sluiten. In het vijfde deel, bijvoorbeeld, start de imitatieketting bij de eerste viool en doorkruist ze het volledige orkest. Alle instrumenten na de eerste viool zullen dus een klank moeten nabootsen die hun instrument niet eigen is, wat a priori al een creatieve aanpassing van het startmateriaal vergt.


Opgedeeld in groepen van variërende grootte en een hiërarchie met vijftien sectieleiders die als enige toegang hebben tot de bron van het materiaal, namelijk de partituur, doet het orkest van Hertig denken aan een minimaatschappij. Het orkestwerk ontleent zijn titel aan de ‘Red Queen Hypothesis’ die stelt dat soorten binnen een biotoop zich voortdurend moeten aanpassen en verbeteren om in leven te blijven. Doorheen de generaties zal het konijn steeds sneller worden om te kunnen ontsnappen aan de jagende vos, die op zijn beurt sluwer zal worden. In 'Losing the Red Queen’s Race' refereert Hertig aan de discrepantie die ontstaat wanneer de ‘Red Queen Hypothesis’ als wetenschappelijk bewezen fenomeen binnen de evolutietheorie klakkeloos overgenomen wordt in een sociaaleconomische context en zich bikkelhard op het individu richt: hard werken loont. De opdracht die Hertig aan de orkestleden oplegt, is bij voorbaat een onhaalbare kaart. Desalniettemin geven de muzikanten het beste van zichzelf. Het zijn de imperfecties in de imitaties die de compositie kleur geven. Hertig bouwt in de kern van zijn werk een foutenmarge in, waarop hij eens de imitatieketting vertrokken is als componist geen enkele controle meer kan uitoefenen. Daarmee stelt hij een groot vertrouwen in de muzikanten.


Naast 'Losing the Red Queen’s Race' – dat tot op zekere hoogte altijd een beetje een creatie is – staat 'San Francisco Polyphony' (1973-1974) van de Hongaars-Oostenrijkse componist György Ligeti, seizoenscomponist in Muziekcentrum De Bijloke, op het programma. Het contrast kon haast niet groter: iedere muzikant is voorzien van een met veel zorg uitgewerkte partij die niets aan de verbeelding overlaat. De kleinste details werden genoteerd. Samen klinken ze als dichte, bewegende klankwolken waarin je vaak de afzonderlijke partijen niet meer kan onderscheiden. Talrijke melodische patronen reizen doorheen de verschillende instrumenten, worden met elkaar vervlochten en grijpen naadloos in elkaar. Ligeti noemde deze techniek ‘micropolyfonie’ met een knipoog naar de Vlaamse polyfonie uit de 15de eeuw, waarin, jawel, eveneens imitatietechnieken centraal stonden. Het boegbeeld van de techniek is Ligeti’s iconische clustercompositie 'Atmosphères' (1961). Maar 'San Francisco Polyphony' klinkt helemaal anders: uit de in de eerste minuut geïnsinueerde broeierige samenklank stijgen individuele muzikale patronen op om daarna weer in de achtergrond te verdwijnen. De vitale, kleurrijke en dynamische patronen die om de beurt op de voorgrond verschijnen, bepalen de richting en vorm van de compositie en scheppen een voor Ligeti’s muziek typerend gevoel van ruimtelijkheid.

De Golden Gate Bridge en de architecturale clusters van San Francisco,
gefotografeerd vanaf de Marin Headlands.

 

Geen geblinddoekte muzikanten in het 'Piano Concerto' (2014) van Deense componist Simon Steen-Andersen, wel een opvallende prélude. In de geprojecteerde video zien we de vleugelpiano een vrije val van acht meter hoog maken. De neerstorting van het houten instrument op de betonnen vloer is het hart van Steen-Andersens compositie. Al het muzikale materiaal, zowel voor de pianist als voor het orkest, vertrekt van de klinkende impact en energie die de klap teweegbrengt. Toch wil de componist niet zozeer provoceren. Hij speelt met conventies en verwachtingspatronen (alleen al met de titel van het werk 'Piano Concerto', waarachter een hele traditie schuilt), maar bouwt en verkent met de gehavende piano vooral een nieuw instrument en klank in het orkest. Beide piano’s – de gehavende en intacte concertpiano – worden door de solist als één instrument beschouwd en via een sampler gelijktijdig door hem bespeeld. We zien hem in de videoprojectie naast hem ook op de kapotte piano spelen. Tegelijk met de klassieke pianoklank hoor je de gehavende klanken, die ook door het orkest opgepikt en verder uitgebreid worden en zo de soundtrack vormen van de video op het grote scherm achter het orkest. Daarin zien we steeds opnieuw de impact van de piano op het beton, versneld, vertraagd, in reverse, in loop, alsof de piano een dans opvoert. Het visuele aspect is in het hele oeuvre van Steen-Andersen een belangrijk element: het auditieve en visuele vormen een eenheid. In het 'Piano Concerto' is de video de ontbrekende link naar de bron van het klankmateriaal.


Waar Steen-Andersen in zijn 'Piano Concerto' op een materiële manier naar nieuwe klankkleuren op zoek gegaan is, vindt de Britse componist Julian Anderson zijn gading in boventonen, macrotonaliteit en Oost-Europese volksmuziek. In 'The Stations of the Sun' (1997-1998) reflecteert Anderson het voorbijgaan van de seizoenen, maar niet zonder die eens goed door elkaar te schudden. Er blijft niets over van de meteorologische tijdlijn: herfst, winter, zomer en lente klinken door elkaar. Bovendien legde hij zichzelf de beperking op om de toonhoogte do niet te gebruiken, want daarvan was hij al te vaak vertrokken in vorig werk. 'The Stations of the Sun' wordt gekenmerkt door een rijke orkestklank met eerder grote contrasten in harmonie, register en tempo, die dan weer verband houden met het veranderen van de posities van de zon.

Septembre uit Les Très Riches Heures du duc de Berry, verlucht manuscript in opdracht van hertog Jan van Berry, 15de eeuw. Het verstrijken van de seizoenen vormt al eeuwenlang een bron van inspiratie voor beeldend kunstenaars en componisten.