Biennale Di Venezia

Not Here

Florentin Ginot
wo 14 december 20:00 - 21:00
Concertzaal

Programma

Mauro Hertig
Perfect Thirst (12')

Rebecca Saunders
Fury (7')

Marin Marais
Prélude en Harpègement (3')

Stefano Scodanibbio
Farewell (4')

Johann Sebastian Bach
Partita nr. 1 voor viool, double (3')

Georges Aperghis
Obstinate (7')

Sebastian Rivas
We Must (20')
De zinderende diepte van de contrabas op het hoogste niveau
Contrabas solo? Jazeker! En hoe: Florentin Ginot is een muzikant met branie. Georges Aperghis componeerde ‘Obstinate’ speciaal voor hem, muziek die klinkt als koppige handenarbeid. Ook ‘We Must’ bracht Ginot in première, een kort muziektheaterwerk waarin Sebastian Rivas de zoekende musicus naadloos met Bukowski en Shakespeare verbindt. De strak gespannen duisternis in Rebecca Saunders’ ‘Fury’ is dan weer bijna romantisch te noemen. En natuurlijk ontbreekt ook Bach niet in de diepste strijkersregionen!

Uitvoerders

Florentin Ginot, contrabassen
Martin Antiphon, geluidsregie
Marie-Hélène Pinon, lichtregie
Sylvaine Nicolas, stage manager


Programmatoelichting

Drie bogen en een groet

Rebecca Diependaele

Midden in dit concertprogramma prijkt een korte, relatief eenvoudige compositie: 'Farewell' van Stefano Scodanibbio (1956-2012). Dat is geen toeval: Scodanibbio staat te boek als een weergaloos contrabassist, die in de jaren 1980 en 1990 een grote rol speelde in de (her)ontdekking van de contrabas als solo-instrument, met name binnen de hedendaagse muziekscène. Hij werkte lange tijd samen met Luigi Nono en Giacinto Scelsi, en tal van componisten – van Sylvano Busotti over Brian Ferneyhough tot Iannis Xenakis – schreven werken voor hem. Hij componeerde ook zelf: een vijftigtal werken, voornamelijk voor zijn eigen instrument of andere strijkers. Zijn ‘Farewell’, de laatste van zes studies voor contrabas solo (1981-1983), lijkt in deze context wel een klein eerbetoon, een groet naar de verre overkant.


Van daaruit waaiert het programma uit in drie bogen. De eerste voert drie eeuwen terug in de tijd, naar muziek van Marin Marais (1656-1728) en Johann Sebastian Bach (1685-1750). Marais’ ‘Prélude’ en ‘Harpègement’ duren samen niet veel meer dan drie minuten, maar dat is voldoende om alle twijfel weg te nemen over de lyriek en de abstracte zeggingskracht die in de diep-warme strijkersklank verscholen liggen. Niet voor niets is de naam Marin Marais onlosmakelijk verbonden met muziek voor “basse de viole”, een verzamelnaam voor de lage strijkinstrumenten die we vandaag kennen als viola da gamba. Marais was een schitterend gambist, die een groot deel van zijn carrière doorbracht aan het hof van Lodewijk XIV. Maar de grootste indruk maakt zijn werk als componist: doorheen honderden solowerken liet hij zijn geliefde instrument glanzen als nooit tevoren.


Net zoals Scodanibbio een generatie eerder deed, werkt Florentin Ginot gretig samen met componisten van vandaag, zoals Georges Aperghis. In een interview van krap anderhalve minuut legt Aperghis treffend uit hoe hij ‘Obstinate’ heeft opgevat vanuit de weerstand tussen boog en snaar. De uitvoerder ploetert zich een weg doorheen de partituur die hem opdraagt steeds dieper in de snaar te gaan, terwijl hij zichzelf als het ware aanmoedigt om door te bijten. De muziek lijkt wel weerspannige handenarbeid en doet zo haar ‘koppige’ titel alle eer aan.


Aan Rebecca Saunders’ ‘Fury’ (2005) ligt een minstens even uitdagende opzet ten grondslag. Het klankmateriaal is wispelturig zoals de titel laat vermoeden, maar het is vooral de vereiste spankracht die de uitvoering tot een huzarenstukje maakt. “Eén lange melodie”, noemt Saunders het werk, “opgerokken tot het breekpunt”.


Ook ‘Perfect Thirst’ (2020) van Mauro Hertig bracht Ginot in première. Hertig omschrijft zijn compositie als “een balanceeract tussen de contrabassist, het publiek en voorwerpen in de concertruimte.” Dat mag gerust letterlijk genomen worden, want de voorwerpen worden in hangend evenwicht gehouden door de muzikant én de toeschouwers. Die laatsten krijgen op die manier directe invloed op de bewegingsvrijheid van de muzikant en bepalen zo expliciet mee het werk.


‘We Must’ (2018), een kort muziektheaterwerk van Sebastian Rivas, besluit de derde, theatrale boog binnen het concertprogramma. Vertrekkend van de epiloog van Prospero uit Shakepeares ‘The Tempest’ voert Rivas een zoekend musicus ten tonele. “But release me from my bands / With the help of your good hands: / Gentle breath of yours my sails / Must fill, or else my project fails, / Which was to please.”, zo spreekt het personage finaal het publiek toe. Het theater heeft hem in opgesloten in een kader waaruit alleen het applaus van het publiek hem kan bevrijden. Op een zelfde manier omsluit Rivas de uitvoerder, die zich over kleine eilandjes begeeft, met elektronische klanken. Het is echter niet alleen de uitvoerder die gevangen zit in het web dat de componist om hem heen heeft gesponnen. Rivas wil met ‘We Must’ evenzeer zijn eigen rol en expressiemiddel op losse schroeven zetten. De titel, schrijft hij, verwijst naar een gedicht van Charles Bukowski. Hier geen hoopvolle vraag, zoals in Prospero’s verzoek aan het publiek, maar een stellige oproep: “we must bring / our own light / to the / darkness. / nobody is going / to do it / for us.”

Meer

Wie verknocht geraakt is aan de muziek van Marin Marais, kan kijken naar de film Tous les matins du monde (1991). 

Een uitgebreid interview met Florentin Ginot is te vinden op de website Discover DoubleBass: https://discoverdoublebass.com/interview/florentin-ginot 

Ook op de website van Ginot zelf, www.florentinginot.com, is een schat aan audio- en videomateriaal te vinden.