Meccore String Quartet

Poolse klassebakken
do 18
januari
  • do 18 jan
    20:00
    Concertzaal
    €24.00
    Geweest

Programma

20:00 - Aanvang concert

20:50 - Pauze

22:00 - Einde

 

György Ligeti | Kwartet nr. 1 ‘Métamorphoses nocturnes’

Dmitri Sjostakovitsj | Kwartet nr. 8 in c, opus 110

Henryk Gorecki | Kwartet nr. 3

“Het Meccore String Quartet is zonder twijfel het beste Poolse kwartet ooit, en hun uitvoeringen blijft onze harten beroeren’’. Deze straffe uitspraak komt van niemand minder dan Günter Pichler van het Alban Berg Quartet.

Drie toppers van de moderne kwartetpartituur

Het strijkkwartet van Ligeti is een mijlpaal binnen de ontwikkeling van de moderne kwartetmuziek. Polyfone verdichting en klankkleurverschuivingen winnen aan belang ten opzichte van dynamische harmonische processen.

 

Het 8e strijkkwartet van Sjostakovitsj behoort tot zijn meest intieme werken. Het werk werd geschreven in Dresden, waar hij de puinhopen van de bombardementen van de geallieerden zag.

 

De Pool Górecki gebruikt nadrukkelijk een eenvoudige muziektaal. Repetitieve structuren, eenvoudige reekstechnieken en de terugkeer naar de tonaliteit zijn kenmerkend.

Uitvoerders

Meccore String Quartet:

Jarosław Nadrzycki, viool

Wojciech Koprowski, viool

Michał Bryła, altviool

Karol Marianowski, cello

Programmatoelichting

Ligeti

György Ligeti (°1923) ontvluchtte zijn vaderland na de mislukte Hongaarse opstand van 1956. Hij kwam eerst terecht in Wenen, nadien in Keulen en Hamburg. Daar maakte hij zich op ongelooflijk korte tijd de verwezenlijkingen van de West-Europese avant-gardemuziek eigen. Zo doorgrondde hij niet enkel de seriële en elektronische muziek die in de eerste helft van de jaren vijftig door componisten als Goeyvaerts, Pousseur, Boulez, Stockhausen en Nono ontwikkeld was, hij ging ook nog een stap verder. Dat uitte zich bijvoorbeeld in een beruchte, niets verhullende analyse van Boulez‘ Structure 1a dat als het paradepaardje van het seriële denken gelauwerd was, en ook in de werken die Ligeti zelf schreef.
Zijn Atmosphères (1960) voor groot orkest maakte bijvoorbeeld veel ophef als alternatief voor het serialisme. Het resultaat van de enorme differentiëring van alle muzikale parameters in het serialisme was volgens Ligeti dat zin en bepaaldheid ervan de luisteraar ten enenmale ontging: de totaalindruk primeert op de waarneming van de afzonderlijke bestanddelen. Inderdaad hoor je in de werken die Ligeti sinds Atmosphères schreef slechts de evolutie van een klankweb dat verschuift in klankkleur, densiteit, intensiteit en omvang, en niet de micropolyfone processen die eraan ten grondslag liggen (de opeenstapeling van zeer veel, vaak canonisch gevoerde stemmen in snelle door elkaar wriemelende notenwaarden).

In zijn werken sinds de jaren tachtig krijgen de stemmen meer contour, balanceert de polyfonie tussen transparantie (van langsom meer) en chaos, en gaat Ligeti op een klassieke manier met zijn compositietechnisch arsenaal om.
Het eerste strijkkwartet is ontstaan tijdens ongunstige culturele omstandigheden in het toenmalige Hongarije. Er zijn nog heel wat elementen die aan Bartóks muziektaal herinneren: de uiterst gedifferentieerde ritmiek met invloeden van de volksmuziek uit de Balkan, het aanwenden van alle mogelijke strijkerstechnieken en de daaruit resulterende klankkleuren, de lineaire schrijfwijze, de harmonische synthese rond symmetrische toonpolen, de thematische metamorfosen. Ook de Bartókiaanse groteske ontbreekt niet, hier onder de vorm van een parodie op de wals, voorwaar een politiek statement voor elke Hongaar.

Tenslotte is goed hoorbaar dat Ligeti's techniek van het klankweb ultiem terug te voeren is op Bartóks gewoonte om een fugato aan een buitensporig stretto te onderwerpen, waardoor het begrip stem in vraag gesteld wordt, en polyfonie geherdefinieerd wordt. Het klankweb als resultaat van polyfone verdichting is prominent aanwezig en klankkleur verschuivingen winnen aan belang ten opzichte van dynamische harmonische processen. Bovendien volgen de contrasten in textuur elkaar heel snel op, en vinden we op twee plaatsen in de partituur een eerste aanzet tot Ligeti's obsessie voor een (stuklopend) mechanisme (cfr. de aanduidingen "mit mechanischer Prazision" en "wie ein Prazisionsmechanismus").

 

Sjostakovitsj

Werden aanvankelijk zijn strijkkwartetten door de kritieken nog als 'ondergeschoven kindje' behandeld, met zijn 8e strijkkwartet toonde Sjostakovitsj dat hij ook op dat terrein wezenlijke dingen te zeggen had. Uiteindelijk is het zwaartepunt van Sjostakovitsj’ oeuvre met meer recht te zoeken in de veel persoonlijkere, intiemere uitingsvorm van zijn 15 strijkkwartetten dan in zijn eveneens 15 symfonieën.
De schaduw van persoonlijk leed, verlies en oorlog ligt zwaar over het achtste strijkkwartet. Sjostakovitsj vertoefde toen in Dresden voor het schrijven van muziek bij een oorlogsfilm. De ruïnes van deze eens zo prachtige stad hadden op hem een beklemmende werking. Zodoende is dit werk zowel een zelfportret als een anti-oorlogspamflet geworden.
In zijn memoires relativeert Sjostakovitsj de politieke boodschap van zijn achtste strijkkwartet, als ,, zou het opgedragen zijn aan de slachtoffers van het fascisme’’. We lezen wel het volgende: ,,Toen ik het achtste strijkkwartet schreef, werd dit werk naar het departement van ‘uitlatingen tegen het fascisme’ verwezen. Je moet blind en doof zijn om zoiets te doen, want alles in dit kwartet is zo klaar als een klontje. Ik citeer Lady Macbeth (zijn door de autoriteiten verguisde opera), de eerste en de vijfde symfonie. Wat heeft dat met fascisme te maken ? De achtste is een autobiografisch werk, waarin een lied geciteerd wordt dat alle Russen kennen : ‘Uitgeput door de ontberingen van de gevangenis’.”
Door alle delen van dit kwartet loopt letterlijk de handtekening van de componist, in het motief met de noten D-Es-C-B, wat men kan lezen als “DSCH”, de afkorting (in Duitse (!) spelling) van Dmitri Schostakovitsj. Een procédé dat bijvoorbeeld al bij Bach duidelijk aanwijsbaar is.

 

Górecki

Górecki’s output was na zijn derde symfonie (1992/1993) opvallend afgenomen. Met uitzondering van wat koormuziek vloeide er niets substantieels meer uit zijn pen sinds zijn Klein Requiem van 1993. Het derde strijkkwartet doorbreekt die stilte en speelt dus een sleutelrol in het begrip van Górecki’s artistieke evolutie. Zoals zijn twee anders strijkkwartetten, bevat het derde kwartet een ondertitel waaruit zijn fascinatie voor ‘lied’ blijkt.

Het werk ademt een diepe melancholie uit. Górecki maakt zoals gebruikelijk veelvuldig gebruik van expressieve aanduidingen en superlatieven als tranquillo, cantabile, enz. Er komt zelfs een ‘morbido’ in voor, kort na herhalingen van een G-groot akkoord in het vierde deel. Het werk schijnt in zijn geheel gepreoccupeerd te zijn met de onvatbaarheid van het geheugen, met het vermogen van de geest om ideeën te herhalen, maar tegelijkertijd zichzelf te verliezen in dat proces van herhalen, doorheen de periodieke ontwikkeling van zowel exacte als foutieve herinnering. Het citeren van een fragment uit het eerste deel van Szymanowski’s Tweede Quartet versterkt de kwaliteiten van het geheugen en de herinnering op een extern niveau. De techniek van het citeren zien we al vroeg terug in het oeuvre van Górecki. Het behoort tot zijn expressief handelsmerk. Kenmerkend voor het derde strijkkwartet zijn verder nog de melodische kleine en grote tertsen, akkoordpatronen met sterk diatonische en cadenstrekjes en de opvallende dissonanties tussen melodie en harmonie. Górecki’s heen en weer deinende harmonieën en trage tempi zijn evenzeer opvallend. Dat zijn schaarse momenten van rust en meditatieve introspectie, hoewel het grootste deel van het werk gekarakteriseerd is door een onderliggende onrust.

 

Privacy en Cookies

Deze website gebruikt cookies om het gebruik van de webshop mogelijk te maken. U kunt cookies uitzetten, maar bepaalde delen van de website zullen niet langer werken. Muziekcentrum De Bijloke verwerkt en gebruikt persoonsgegevens bij ticketaankopen. Alle info in onze privacyverklaring: debijloke.be/privacy

Meer informatie